Wie wordt de nieuwe Kamervoorzitter? 

Tweede Kamer van boven
Tweede Kamer van boven

Bij een nieuwe Tweede Kamer hoort ook de verkiezing van een nieuwe Kamervoorzitter. Wie wordt de volgende in het rijtje van onder andere Khadija Arib, Vera Bergkamp en Martin Bosma?  

Kamervoorzitterschap is meer dan een erebaan 

Wat een voorzitter van de Tweede Kamer hoort te doen, bepaalt de Tweede Kamer. De oude Tweede Kamer stelde in september, voorafgaand aan de verkiezingen, een ontwerpprofielschets op. De nieuwe Tweede Kamer nam deze profielschets vervolgens mee als beoordelingskader voor kandidaten.  

Die profielschets maakt al duidelijk dat Kamervoorzitterschap meer is dan een symbolische erebaan. Zo vraagt de profielschets om een voorzitter die onder andere:  

  • inzicht heeft in de staatsrechtelijke verhoudingen 
  • boven de partijen staat 
  • blijk geeft van kennis van en respect voor het Reglement van Orde van de Tweede Kamer 
  • het dualisme tussen de regering en de Tweede Kamer kan bevorderen 
  • …en daarnaast ook iemand die een goede vertegenwoordiger is van de Kamer in binnen- en buitenland 

Dualisme in de praktijk 

Daarnaast moet de voorzitter natuurlijk de vergadering voorzitten. Zo bepaalt de Kamervoorzitter samen met het Presidium wat er op de agenda voor de Tweede Kamer komt. Een goed voorzitter zorgt er ook voor dat Kamerleden niet te sterk onderling botsen: een meningsverschil op inhoud mag, maar zo gauw het persoonlijk wordt, trekt de voorzitter de grens. Vandaar dat het belangrijk is dat de voorzitter ‘boven de partijen’ staat: bij een conflict tussen twee partijen helpt het niet als de scheidsrechter die tussenbeide komt al te zichtbaar ‘van’ een partij is. 

Uit het idee van dualisme tussen Kamer en regering (een idee dat voortkomt uit de scheiding der machten) hoort de voorzitter juist weer niet neutraal te zijn tussen de regering en Kamerleden. De regering is ‘te gast’ bij de Kamer, wat onder meer inhoudt dat Kamerleden vragen moeten kunnen stellen aan bewindspersonen, moties kunnen indienen en toezeggingen los kunnen krijgen van een minister – en niet andersom.  

Hoe de voorzitter verkozen wordt 

De Kamer kiest (sinds 1983) zelf een voorzitter uit haar midden. De gedachte dat de Kamervoorzitter uit de grootste oppositiepartij ‘moet’ komen, is onjuist: hier is niets over vastgelegd in hetzij de Grondwet, hetzij het Reglement van Orde. Bovendien is er nog helemaal geen coalitie gevormd, en kan het nog wel even duren voordat deze komt – de Tweede Kamer kan niet wachten met het kiezen van een voorzitter tot het zover is.  

De Tweede Kamer kiest dus zelf uit verschillende kandidaten, en als het nodig is in verschillende rondes. De afgelopen keren koos de Kamer meestal uit twee of drie kandidaten: in 2023 ging de verkiezing tussen Martin Bosma en Tom van der Lee, daarvoor in 2021 ging het tussen Vera Bergkamp, Khadija Arib en Martin Bosma, maar in 2017 was er slechts één kandidaat, Khadija Arib.  

De Affaire Arib 

Deze laatste naam zal bij veel mensen een belletje doen rinkelen vanwege wat de ‘Affaire Arib’ is gaan heten. Dit draait om een onderzoek naar het voorzitterschap van Khadija Arib. Haar opvolger Bergkamp ontving anonieme beschuldigingen aan het adres van Arib, dat zij een sociaal onveilige werksfeer gecreëerd zou hebben. Bergkamp stelde hierop een onderzoek in, waarna zijzelf beticht werd van het lekken van gevoelige informatie uit dit onderzoek naar de pers. Dit leidde zelfs tot een rechtszaak tegen Bergkamp’s woordvoerder – waarin deze laatste overigens werd vrijgesproken. Dat leidde weer tot een stevig debat in september met de huidige Kamervoorzitter, Martin Bosma, aangevraagd door PVV-Kamerlid Markuszower, die er vervolgens zelf niet bij was.  

Uit dat debat blijkt dat het werk van het Presidium (en dus de functie van Kamervoorzitter helemaal) nog complexer is. De voorzitter faciliteert namelijk niet alleen het debat tussen regering en Kamer, en fracties onderling, maar is formeel ook de werkgever van de griffie (de ambtelijke ondersteuning van de Tweede Kamer, bestaand uit 800 personen). En Bosma voegde daaraan toe dat hij ook een informele zorgplicht voelt voor de 400 tot 450 medewerkers van alle fracties in de Kamer. Sinds de Affaire Arib en de nasleep ervan ligt dit onderdeel van het werk van het Presidium onder een vergrootglas. En dat allemaal in staatsrechtelijk precaire en niet altijd even heldere positie tussen Kamer en regering.  

Wie gaat het doen?  

Deze keer kan de Tweede Kamer kiezen uit drie kandidaten, De zittende Kamervoorzitter Martin Bosma (PVV) had zich al snel kandidaat gesteld. Als zittend voorzitter brengt hij de nodige ervaring met alle aspecten van het voorzitterschap met zich mee. Uniek aan Bosma als voorzitter was dat hij vergaderingen opent met een gedicht.  

Voor het weekend stelde het 35-jarige VVD-Kamerlid Thom van Campen zich ook kandidaat. Van Campen zit sinds 2021 in de Kamer. Daarvoor was hij onder andere het jongste lid van de gemeenteraad in Zwolle ooit. Mocht Van Campen verkozen worden, dan wordt hij de jongste Kamervoorzitter ooit.  

De derde kandidaat is Tom van der Lee (GL-PvdA). Van der Lee zit al sinds 2017 in de Tweede Kamer en is al acht jaar lid van het presidium. In 2023 deed hij ook al een gooi naar het Kamervoorzitterschap, maar toen won Bosma de verkiezing. Lastig voor Van der Lee is wel dat de Eerste Kamer net iets meer dan een maand een voorzitter heeft van dezelfde partij: Mei Li Vos werd op 7 oktober 2025 voorzitter van de Eerste Kamer, nadat de voorzitter tot die tijd, Jan Anthonie Bruin, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werd.   

Later vandaag debatteert en stemt de Tweede Kamer over wie de nieuwe voorzitter wordt. EPPA volgt dit debat natuurlijk en brengt u als eerste op de hoogte. Meer weten over onze diensten? Kijk hier: https://www.eppa.nl/diensten  

Een update uit de formatie 

Na een lange stilte in de Tweede Kamer vanwege het verkiezingsreces, was het afgelopen week weer druk in Den Haag. Oude Kamerleden namen afscheid, nieuwe Kamerleden werden geïnstalleerd. En, in de formatie werden stappen gezet. Op dinsdag presenteerde verkenner Wouter Koolmees zijn eindverslag, donderdag ging de nieuwe Kamer hierover in debat.

In dit debat werden twee informateurs aangewezen om met D66 en CDA aan een aantal inhoudelijke thema’s te gaan werken, waarna Hans Wijers (D66) binnen 24 uur alweer opstapte. Op 9 december wordt daarom het verslag van enkel informateur Sybrand Buma (CDA) verwacht.  

Wat is er precies gebeurd? En welke stappen worden er de komende tijd ondernomen?  

Verschillen en overeenkomsten 

In zijn functie als verkenner heeft Wouter Koolmees met alle vijftien fractievoorzitters gesproken. Uit deze gesprekken is volgens Koolmees naar voren gekomen dat er brede steun is vanuit de Kamer om een coalitie te vormen met ten minste D66 en CDA. Hierbij moeten zich nog wel minstens twee partijen aansluiten. Aansluiting door de VVD krijgt ook brede steun, schrijft Koolmees in zijn verslag.  

Verder gaat hij in op de verschillende redenen waarom partijen wel of niet met elkaar willen samenwerken. Zo schrijft Koolmees: “De VVD acht samenwerking in een coalitie met GroenLinks-PvdA uitgesloten op grond van inhoudelijke en politieke verschillen met die partij. De fractie van GroenLinks-PvdA sluit de VVD niet uit en is bereid om inhoudelijke onderhandelingen aan te gaan met de VVD.”  

Ondanks de verschillen tussen de partijen ziet Koolmees ook een belangrijke gemene deler tussen de partijen, namelijk de ambitie om Nederland vooruit te helpen en een aantal grote opgaven aan te pakken. Ook willen de partijen snel een stabiel kabinet. 

Formeren, faseren 

Koolmees haalde weer een aantal klassieke rijmende formatiewijsheden van stal: formeren is faseren, en formeren is elimineren. In die geest adviseert hij dat D66 en CDA eerst drie weken gaan praten over de inhoud, compromissen gaan verkennen en daarmee op zoek gaan naar de overeenkomsten in plaats van verschillen. Dit gaan zij doen aan de hand van verschillende thema’s: migratie, wonen, veiligheid/defensie, stikstof en de economie, dan wel het investeringsklimaat voor bedrijven. Opvallend is hierbij welke thema’s hier niet toe behoren, zoals bijvoorbeeld zorg, klimaat of digitalisering.  

Via de inhoud gaan de twee partijen dan, op advies van Koolmees, op zoek naar welke coalities er mogelijk zijn, ook met een meerderheid in de Eerste Kamer. Deze zogeheten “positieve agenda” moet een voorbereiding worden op het regeerakkoord.  

Debat over de verkiezingsuitslag 

Na het uitbrengen van het eindverslag mocht Koolmees op 13 november zijn toelichting geven. Zoals gebruikelijk werd de verkenner uitvoerig bedankt voor zijn werk door alle partijen, maar er klonk ook kritiek op het advies.  

Zo zei VVD-fractievoorzitter Yeşilgöz dat deze stap overbodig is en niet te lang mag duren. Zij zag liever dat de VVD bij deze stap ook al aan tafel zat. Esther Ouwehand (PvdD) benadrukte voorstander te zijn van de tussenstap, maar zette wel vraagtekens bij de onderwerpen die besproken zouden worden. Zij had liever gezien dat klimaatbeleid een prominentere plek zou krijgen. Ook Laurens Dassen (Volt) gaf aan dat andere onderwerpen minstens zo belangrijk waren om in deze fase te bespreken, waaronder digitale zaken en Europa. En diende Jimmy Dijk (SP) een motie in om ook zorg en sociale zekerheid mee te nemen in deze fase. Al deze voorstellen haalden geen meerderheid. 

In de beantwoording op de gestelde vragen verduidelijkte Koolmees dat op wonen, asiel, stikstof en veiligheid veel overeenkomsten zijn, wat belangrijk is in deze fase van de formatie.  

Echter zei Koolmees in het debat dat hij ook grote verschillen ziet tussen alle potentiële coalitiepartijen. Door met twee partijen te beginnen op inhoud wil hij voorkomen dat partijen zich ingegraven houden door het wie-met-wie-verhaal.  

Hoe nu verder? 

In het debat is het ook gegaan over: hoe nu verder? Zoals gebruikelijk diende de fractievoorzitter van de grootste partij Rob Jetten (D66) een motie in om D66’er Hans Wijers en CDA’er Sybrand Buma als informateurs te benoemen voor een periode van 3 weken. Na het aannemen van de motie overhandigde Kamervoorzitter Bosma officieel de opdracht, vervolgens waren de nieuwe informateurs beschikbaar voor vragen bij een kort persmoment.  

Tijdens dit persmoment ging het overgrote deel van de vragen, aangevoerd door RTL-journalist Floor Bremer, over uitspraken die Hans Wijers zou hebben gedaan tijdens een bijeenkomst voor ondernemers. Deze vermeende uitspraken zouden de verhoudingen kunnen schaden. Later werden nog privé-appjes bekend gemaakt, en is hij opgestapt als informateur.  

Hij stelde in een verklaring: “Ik ben vandaag door NRC geconfronteerd met uitspraken die ik in een privé appje ruim voor de verkiezingen heb gedaan. In dat 1-op-1 bericht heb ik spontaan uitspraken gedaan die je weloverwogen nooit zou doen. Nu die uitspraken publiek zijn geworden zou dat mijn positie als onbevangen informateur kunnen schaden. Het proces is te belangrijk om dat te laten afleiden van de inhoud. Dat maakt dat ik met grote spijt heb moeten besluiten om terug te treden als informateur.” 

Rob Jetten (D66) wilde door, hij tweette: “Helaas heeft Hans Wijers moeten besluiten zijn taken als informateur neer te leggen. Ik dank hem voor zijn inzet en beschikbaarheid. Om geen tijd te verliezen in dit proces heb ik de Voorzitter van de Tweede Kamer voorgesteld om, binnen de opdracht van de Kamermotie, verder te gaan met Sybrand Buma als informateur.” 

De informateur brengt op dinsdag 9 december verslag uit.   

Hoe wordt het Belastingplan dit jaar precies behandeld? Inzicht voor PA-professionals 

Elk jaar kijkt iedereen reikhalzend uit naar de rijksbegroting die het kabinet op Prinsjesdag presenteert. Dit jaar is dat niet anders. Toch waren de verwachtingen bij voorbaat gematigd: na de dubbele kabinetsval was al duidelijk dat de begroting voor 2026 ‘beleidsarm’ zal zijn.  

Waar de verwachtingen dit jaar als vanouds wél hooggespannen zijn, is bij het Belastingplan. Dit pakket aan belastingmaatregelen raakt direct de portemonnee van burgers en bedrijven, en moet vóór het einde van het jaar door zowel de Tweede als de Eerste Kamer worden goedgekeurd. Het proces rond het Belastingplan is ieder jaar intensief, met snelle opeenvolging van schriftelijke overleggen, debatten en stemmingen, en met vaak onvoorspelbare uitkomsten. 

Dit jaar komt daar een extra complicatie bij: de Tweede Kamerverkiezingen zorgen ervoor dat er dit jaar een stuk minder parlementaire weken zijn. Hoe behandelt het parlement dit jaar het Belastingplan? 

De behandeling van het Belastingplan in vogelvlucht 

Nadat op Prinsjesdag het Belastingplan is aangeboden, start de behandeling met een technische briefing door ambtenaren van het ministerie van Financiën. Hier kunnen Kamerleden feitelijke vragen stellen. Vervolgens volgen schriftelijke vragenrondes, waarin al snel de eerste politieke lijnen zichtbaar worden. Anders dan bij de begrotingen zijn deze vragen namelijk niet alleen feitelijk, maar ook politiek van toon.  

Daarna staan doorgaans twee wetgevingsoverleggen (WGO’s) gepland, gevolgd door een plenair debat en de stemming. Gedurende dit hele traject kunnen Kamerleden, zoals gebruikelijk bij een wetgevingsproces, amendementen indienen. Na afronding in de Tweede Kamer volgt een vergelijkbare behandeling in de Eerste Kamer, ook met een technische briefing, schriftelijke rondes en een plenaire afronding. 

Extra druk door verkiezingen 

Normaal gesproken is er bij een wetgevingsproces ruimte voor consultatie van experts en belangenbehartigers. Die tijd is er bij het Belastingplan veel minder. Dit jaar zorgen de verkiezingen ervoor dat er nóg minder tijd is: het verkiezingsreces van 3 oktober tot 29 oktober verkleint de ruimte voor behandeling significant.  

Een extra uitdaging dit jaar is dat twee verschillende Kamers zich over hetzelfde Belastingplan buigen: de ‘oude’ Kamer van voor de verkiezingen voert de technische briefing en schriftelijke behandeling uit, terwijl de ‘nieuwe’ Kamer van na de verkiezingen de mondelinge debatten voert en uiteindelijk over het pakket stemt. Daarbij vinden de WGO’s en het plenaire debat binnen slechts twee weken plaats, waar normaal meer tijd voor wordt genomen. 

Alle data op een rijtje op de routekaart: 

Wat betekent dit voor belangenbehartigers? 

Voor belangenbehartigers is dit een spannende en uitdagende periode. De combinatie van krappe termijnen, een Kamerwissel en de vaak ingrijpende maatregelen in het Belastingplan, maakt het traject dit jaar onvoorspelbaarder dan anders. Amendementen kunnen bovendien op het laatste moment voor grote verschuivingen zorgen. Daarom is het van belang om ontwikkelingen nauwgezet te volgen en waar nodig te wijzen op maatschappelijke gevolgen van de belastingplannen. 

Wat gebeurt er als een begroting wordt verworpen?

Eerste Kamer stemt over de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2025

Het komt steeds vaker voor dat begrotingen niet voor het einde van het jaar zijn aangenomen. En tijdens de parlementaire behandeling van de begrotingen voor 2025 is dan ook die ene vraag opnieuw naar voren gekomen: wat gebeurt er precies wanneer een begroting wordt weggestemd? En wat kan het kabinet dan doen?

Het parlement heeft hierover advies aangevraagd bij de Algemene Rekenkamer en de Raad van State. Zowel de Rekenkamer als de Raad van State benadrukken dat het belangrijk is dat het kabinet en de Staten-Generaal zoveel mogelijk doen om een begrotingswetsvoorstel wel aanvaard te krijgen. Als dat niet lukt zal dat een ongewenste situatie opleveren.

Voor organisaties actief in de Public Affairs is inzicht in het veranderende, dynamische, begrotingsproces belangrijk. Niet alleen om beter te begrijpen welke beleidsontwikkelingen kwetsbaar zijn in tijden van politieke onzekerheid, maar ook om – mocht dat nodig zijn – een strategische interventie te kunnen doen.

De begrotingsbehandeling: welke drie scenario’s zijn er?

1. Tijdige goedkeuring voor 1 januari
Dit is de standaardsituatie en ook de meest wenselijke situatie. Na behandeling door de Staten-Generaal kan het kabinet vanaf 1 januari volledig handelen op basis van de nieuwe budgetten.

2. Begroting niet goedgekeurd voor 1 januari
Toch zien we steeds vaker dat de begroting pas later in het jaar wordt aangenomen, zoals gebeurde bij de begroting van Buitenlandse Zaken vorig jaar. Deze werd pas in april 2025 aangenomen in de Eerste Kamer. Ministers zijn dan beperkt in hun handelen: lopend beleid kan voorzichtig doorgaan, maar nieuw beleid met financiële consequenties kan niet zomaar worden gestart.

3. Verwerping van de begroting – terra incognita
Een daadwerkelijk verworpen begroting gebeurt in Nederland bijna nooit: de laatste keer dat dit gebeurde was ruim een eeuw geleden. En ook voor Public Affairs-professionals betekent dit scenario grote onzekerheid: investeringen en beleidsinitiatieven kunnen worden uitgesteld, de politiek kan instabiel worden en tijdelijke beleidsmaatregelen krijgen meer gewicht.

In het advies van de Raad van State stond dat het kabinet in zo’n geval zo snel mogelijk een nieuwe begroting moet indienen. De minister van Financiën, Eelco Heinen heeft in een Kamerbrief op 2 juli 2025 aangegeven dat hij de Comptabiliteitswet (de wet die de inrichting, het beheer en de verantwoording van de Rijksbegroting regelt) wil aanvullen en dat hij hiervoor een wetsvoorstel zal voorbereiden.

Reflectie voor Public Affairs

De normvervaging en de begrotingen die steeds later worden aangenomen maken het begrotingsproces kwetsbaar. Voor belangenbehartigers is het daarom van belang om niet alleen inhoudelijke dossiers te volgen, maar ook het proces van de begrotingsbehandelingen nauwlettend te monitoren.


Deepdive: controversieel verklaren

Vanaf vandaag, dinsdag 17 juni, gaat het controversieel verklaren een nieuwe fase in. Dit politieke proces kan kansrijk zijn om ook als burger, bedrijf of belangenvereniging onderwerpen enerzijds te framen als ‘te belangrijk om aan een demissionair kabinet over te laten’ of anderzijds te framen als ‘te belangrijk om vertraging op te laten lopen’. De Tweede Kamer stemt op dinsdag 24 juni over alle onderwerpen, waarna definitief is vastgesteld welke thema’s controversieel zijn.

In dit achtergrondartikel gaan we dieper in op het fenomeen controversieel verklaren. Eerst leggen we uit wat controversieel verklaren precies inhoudt: wat betekent het als de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel of beleidsvoornemen tijdelijk wordt stilgelegd na de val van een kabinet of na verkiezingen? Vervolgens kijken we naar het proces dat daaraan ten grondslag ligt – zowel formeel als in de praktijk – en zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer. Wat staat er op papier, en hoe verloopt het daadwerkelijk?

Daarna analyseren we het controversieel verklaren aan de hand van drie thema’s. We bespreken hoe er in dit proces wordt omgegaan met de positie van politieke minderheden. We bekijken welke rol het (demissionaire) kabinet speelt in deze parlementaire procedure. En tot slot gaan we in op de historische context: hoe is deze praktijk ontstaan en geëvolueerd?

1. Wat is controversieel verklaren?

Bij een kabinetsval besluiten de Tweede en Eerste Kamer volgens een speciale procedure over het zogeheten controversieel verklaren van stukken: welke wetsvoorstellen, beleidsbrieven en andere stukken nog in behandeling blijven en welke worden uitgesteld tot na de verkiezingen.

Bij het controversieel verklaren laat het parlement de behandeling van een voorstel rusten. Omdat deze vindt dat het onderwerp te gevoelig om zonder nieuw kabinet over te beslissen. Zo blijft de keuzevrijheid behouden voor de nieuwe coalitie en bovendien versterkt het de democratische legitimiteit van besluitvorming na verkiezingen.

2. Het proces

Het proces van controversieel verklaren beweegt zich tussen formele regels, zoals vastgelegd in het Reglement van Orde, en informele gebruiken die in de praktijk zijn gegroeid.

Het Reglement van Orde

Tweede Kamer – Reglement van Orde – Artikel 11.3 Controversiële onderwerpen
1. Na een tussentijdse val van het kabinet, een koninklijk besluit tot ontbinding van de Kamer, of verkiezingen voor de Kamer, kan de Kamer op schriftelijk voorstel van een commissie of van een of meer leden besluiten om een of meer onderwerpen controversieel te verklaren.

2. Indien een onderwerp controversieel is verklaard, wordt de behandeling daarvan uitgesteld totdat een nieuw kabinet is aangetreden of de Kamer tussentijds anders besluit.

Eerste Kamer – Reglement van Orde – Artikel 141
1. Nadat een kabinet demissionair is geworden, kan de Kamer op voorstel van een of meer leden besluiten bepaalde wetsvoorstellen en onderwerpen controversieel te verklaren.
2. Indien een wetsvoorstel of onderwerp controversieel is verklaard, wordt de behandeling daarvan uitgesteld totdat een nieuw kabinet is aangetreden of de Kamer tussentijds anders besluit.

Lange tijd was er weinig vastgelegd over de procedure. In de Tweede Kamer werd pas na de verkiezingen van maart 2021 een artikel opgenomen in het Reglement van Orde (art. 11.3) en in de Eerste Kamer zelfs pas in juni 2023 (art. 141), hoewel de Eerste Kamer in 2010 wel al een zogeheten procedureregeling vaststelde. Beide artikelen zijn beknopt van aard, maar leggen desalniettemin het proces grotendeels vast.

Zo blijkt uit het Regelement van Orde van de Tweede Kamer dat zowel de Kamercommissies als individuele Tweede Kamerleden een (schriftelijk) voorstel kunnen doen om een of meer onderwerpen controversieel te verklaren, waarna de Kamer er over besluit (leest: plenair stemt). Dit wijkt af van de Eerste Kamer, waar commissies geen enkele rol hebben in het proces maar dit is voorbehouden aan Eerste Kamerleden (lees: de fracties).

Wel hebben beide Kamers in hun artikelen opgenomen dat de controversieelverklaring geldig is tot een nieuw kabinet is aangetreden óf de Kamer tussentijds anders besluit. Een onderwerp wat controversieel is verklaard, kan dus op elk moment weer niet-controversieel worden.

De praktijk in de Tweede Kamer

Voordat de Kamer besluit welke onderwerpen controversieel worden verklaard, doorloopt elk dossier een vaste route: van een groslijst opgesteld door de griffie, via commissievergaderingen waarin keuzes worden gemaakt, tot aan een stemming in de plenaire zaal.

1.         De groslijst

De procedure voor het controversieel verklaren begint bij de ambtenaren van de griffies van de commissies van de Kamer. Ter voorbereiding op het politieke proces stellen ze een groslijst per commissie samen van alle aanhangige onderwerpen van de betreffende commissie. Meestal heeft de griffie hier wel een paar weken voor nodig. Het gaat niet alleen om wetgeving en debatten, maar ook over brieven en nota’s van het kabinet.

2.         De procedurevergadering

In extra procedurevergaderingen besluiten de Kamercommissies per agendapunt op deze groslijst welke onderwerpen zij wel of niet controversieel achten.

Per keer verschilt het proces in de praktijk. Soms hanteert de Kamer het principe dat het voldoende is dat enkele Kamerleden een onderwerp controversieel willen verklaren (het zogeheten respecteren van substantiële minderheden). En soms komt het echt op stemmen aan. Hierbij gelden de stemmingsregels die altijd gelden in de Kamercommissies: niet de omvang van de partij is relevant, maar het aantal aanwezige Kamerleden telt mee voor de stemverhouding. Wel is bij de samenstelling van commissies rekening gehouden met de zetelverdeling.

De procedurevergaderingen resulteren uiteindelijk in een lijst van onderwerpen die de commissie controversieel wil verklaren.

3.         De plenaire stemmingslijst

De lijsten van de commissies worden verzameld op de plenaire stemmingslijst. De Kamer in zijn geheel stelt vervolgens de lijst vast door te stemmen in de plenaire zaal. Nadat er is gestemd, wordt de lijst met controversieel verklaarde onderwerpen als geheel openbaar gepubliceerd.

Altijd aan verandering onderhevig

Zoals beschreven in de Regelementen van Orde, is de lijst met controversieel verklaarde onderwerpen aan verandering onderhevig. Commissies én fracties kunnen nieuwe onderwerpen voordragen en het omgekeerde kan ook gebeuren: een Kamercommissie of fractie kan voorstellen om een eerder controversieel verklaard onderwerp toch te behandelen. In dat geval richt de commissie of de fractie een brief aan de Kamervoorzitter, vergelijkbaar met een amendement. Vervolgens stemt de Kamer over die brief.

Bijvoorbeeld: dit gebeurt vaak bij een tussentijds gevallen kabinet ná de verkiezingen. De stemverhoudingen zijn veranderd na de verkiezingen en de onderhandelende partijen willen de inhoud van de formatiebesprekingen graag achter gesloten deuren houden.

Wat is de tijdlijn in de Tweede Kamer in 2025?

  • Tot en met 16 juni: publicatie groslijsten per Kamercommissie
  • Van 17 tot en met 19 juni: extra procedurevergaderingen Kamercommissies
  • Op 24 juni: plenaire stemming over controversieel verklaren

De praktijk in de Eerste Kamer

1.         De fracties

De Eerste Kamer kent geen rol toe aan commissies, maar laat het controversieel verklaren over aan fracties. Zij krijgen een lijst toegestuurd met alle bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstellen. In die lijst wordt onderscheid gemaakt tussen wetsvoorstellen die al voor plenaire behandeling zijn geagendeerd (A-gedeelte) en wetsvoorstellen die nog bij commissies in onderzoek zijn (B-gedeelte).

2.         De griffie

Vervolgens krijgen fracties (deze keer een week) de tijd om bij de griffie aan te geven welke voorstellen van die lijst zij willen voordragen voor controversieelverklaring. Een lijst van voorgedragen wetsvoorstellen wordt kort daarna per e-mail rondgestuurd. Vervolgens geven de fracties wederom bij de griffie aan of zij bereid zijn steun te verlenen aan controversieelverklaringen die door andere fracties zijn voorgedragen. Voor dit proces wordt doorgaans 2-3 weken uitgetrokken.

3.         De plenaire agenda

Een overzicht van de aangedragen wetsvoorstellen inclusief steunverklaringen van andere fracties wordt vervolgens geagendeerd in het College van fractievoorzitters en ter besluitvorming – diezelfde dag – op de plenaire agenda geplaatst. De Voorzitter zal voorstellen om de wetsvoorstellen waarvan blijkt dat zij op steun van een meerderheid kunnen rekenen controversieel te verklaren, en de voorstellen waarvan dat niet blijkt, niet controversieel te verklaren. Leden kunnen desgewenst om stemming vragen over de controversieelverklaring van een bepaald voorstel.

Wat is de tijdlijn in de Eerste Kamer in 2025?

  • Dinsdag 10 juni 2025: College van fractievoorzitters bepaalt het proces en communiceert dit met fracties
  • Woensdag 11 juni 2025: griffie stuurt groslijst naar fracties
  • Woensdag 18 juni 2025: deadline voor fracties om wensen aan te geven
  • Woensdag 2 juli 2025: deadline voor fracties t.b.v. steunverlening wetsvoorstellen
  • Dinsdag 8 juli 2025: besluitvorming in het College van fractievoorzitters en plenaire stemming

3. Een drietal thema’s

Wat is de rol van substantiële minderheden?

In zowel de Eerste als de Tweede Kamer is het rekening houden met substantiële minderheden regelmatig een punt van discussie geweest. Er is echter geen consensus over wat een substantiële minderheid inhoudt. In het verleden bestond een zogenaamd ‘minderheidsrecht’, hierin werd een verzoek voor een controversieelverklaring gehonoreerd als deze gedaan was door substantiële minderheid.

In 1994 is de Eerste Kamer overeengekomen dat een aanmerkelijke minderheid recht van spreken heeft. In het bijzonder wanneer verkiezingen het gevolg zijn van een kabinetscrisis. Sinds 2002 is het procedurele uitgangspunt dat controversieelverklaringen gestoeld moeten zijn op een meerderheid, maar dat de Eerste Kamer voorstellen van een substantiële minderheid dient te respecteren.

Maar, de positie van substantiële minderheden kan een heikel punt zijn. Sommige Kamerleden implementeren deze procedure heel precies en zien het tegemoetkomen van een minderheid als een ‘hoffelijkheidsprincipe’, terwijl andere Kamerleden geprobeerd hebben ‘om van de gunst een recht te maken’ (Van Kessel & Nap, 2014, p. 212).

In de Tweede Kamer besluit men bij meerderheid van stemmen over het controversieel verklaren van onderwerpen. Maar hoe die meerderheid geteld wordt, kan per vaste Kamercommissie – en per keer – verschillen. Er bestaat geen ‘rechtsplicht’ tot het ‘honoreren van wensen van betekenisvolle minderheden’ (Van Kessel & Nap, 2014, p. 207). Toch kan de Tweede Kamer altijd besluiten om rekening te houden met een substantiële minderheid. Niettemin blijft het een politieke keuze om een controversieelverklaringsverzoek van een substantiële minderheid wel of niet te respecteren.

Welke rol speelt het (demissionaire) kabinet?

De regering mengt zich vrijwel niet in de procedure rondom controversieelverklaringen. Een bewindspersoon kan wel besluiten om de Kamer te informeren welke gevolgen verbonden zijn aan het controversieel verklaren van bepaalde onderwerpen. Ook kan een bewindspersoon aangeven welke onderwerpen zij of hij sowieso verder willen brengen.  

Zo vroeg demissionair premier Dick Schoof tijdens het debat over de val van het kabinet aan de Kamer om vier onderwerpen niet controversieel te verklaren. Hij noemde nationale en internationale veiligheid, handelstarieven, de hersteloperaties van Groningen en de toeslagen, en de rijksbegroting.

Formeel gezien staat het proces van controversieel verklaren proces dus los van het kabinet. De Kamers bepalen zelf wat zij met de stukken van de regering doen, het staat de regering staatkundig vrij om alsnog op controversiële onderwerpen wetten in te dienen of Kamerbrieven te sturen, maar het parlement zal deze stukken dan niet behandelen.

Geschiedenis van het controversieel verklaren

Wat verklaart men controversieel?

Aanvankelijk beperkte het controversieel verklaren zich tot wetsvoorstellen. Sinds de verkiezingen van 2002 neemt de Kamer echter ook regeringsbrieven, rapporten, algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) en geplande debatten in beschouwing. In 2012 werd zelfs een poging gedaan om een bewindspersoon – staatssecretaris Bleker van EL&I – controversieel te verklaren.

Wanneer wordt er controversieel verklaard?

Ook het moment waarop het parlement besluit tot controversieelverklaring verschilt per keer. In 1994, 2002, 2003 en 2007 werd de lijst vastgesteld ná de verkiezingen. In 2002, 2010 en 2012 gebeurde dat juist al vóór de verkiezingsdatum.

Veel of weinig controversieel?

Hoeveel onderwerpen controversieel worden verklaard, hangt sterk af van de politieke situatie op dat moment. In 1994 ging het in de Tweede Kamer om slechts twee voorstellen. Na de val van kabinet-Balkenende IV liep dat aantal op tot maar liefst 428.

De Eerste Kamer verklaart van oudsher weinig controversieel. Dat komt doordat de Senaat minder direct verbonden is met het kabinet en Tweede Kamerverkiezingen. Toch kan het proces daar juist erg politiek zijn. Zo werd na de verkiezingen van 2023 de Spreidingswet niet controversieel verklaard, maar het zogeheten Stikstoffonds wel. In 2017 vroeg de PVV zelfs om een hoofdelijke stemming om de Associatieovereenkomst met Oekraïne controversieel te verklaren. Dat voorstel haalde het niet.


Verder lezen?

https://www.eerstekamer.nl/id/viywdpv47stw/document_extern/100910_procedure_controversieel/f=/viywdqj1gxku.pdf

https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/uitgelicht/hoe-verklaart-de-tweede-kamer-onderwerpen-controversieel

https://www.eerstekamer.nl/nieuws/20250610/procedure_controversieel_verklaren

https://www.eerstekamer.nl/begrip/controversiele_onderwerpen


EPPA Insights: belangenbehartiging in de Eerste Kamer – laatste kans op invloed?

Hofvijver Eerste Kamer

Momenteel vinden in de Eerste Kamer de begrotingsbehandelingen voor 2025 plaats. Hoewel de politieke besluitvorming het meest zichtbaar is in de Tweede Kamer, speelt de Eerste Kamer een cruciale rol in het wetgevingsproces. Hier worden wetsvoorstellen nogmaals beoordeeld op uitvoerbaarheid, juridische houdbaarheid en onbedoelde gevolgen.

Sommige public affairsadviseurs negeren de Eerste Kamer, omdat ze denken dat daar weinig te halen valt. Maar niets is minder waar: de Eerste Kamer biedt juist een belangrijke kans om bij te dragen aan besluitvorming. Senatoren kunnen in deze fase nog ingrijpen in het wetgevingsproces door toezeggingen uit te lokken, moties in te dienen of zelfs een wet tegen te houden. Senatoren van informatie voorzien en daardoor de besluitvorming verbeteren is belangrijk in het werk van een belangenbehartiger.

Belangenbehartiging in de Eerste Kamer werkt anders dan in de Tweede Kamer

  1. Senatoren staan meer open voor belangenbehartigers
    Senatoren werken slechts één dag per week als Eerste Kamerlid en hebben daarnaast vaak functies als voorzitter van een branchevereniging of bestuurder in een andere organisatie. Hierdoor hebben zij goede contacten in het maatschappelijke en zakelijke veld en staan ze soms meer open voor gesprekken met belangenbehartigers dan Tweede Kamerleden.
  2. De Eerste Kamer kan geen wetten wijzigen
    In de Tweede Kamer kunnen wetswijzigingen worden doorgevoerd via amendementen, maar de Eerste Kamer kan alleen wetten aannemen of verwerpen. Dit betekent dat belangenbehartigers hier op een andere manier te werk moeten gaan: door te wijzen op juridische of praktische bezwaren die nog niet eerder in de discussie zijn meegenomen, of door aan te tonen dat een wet grote negatieve sociale of economische gevolgen heeft. Het is essentieel om informatie aan te leveren die niet alleen aansluit bij de partijvisie, maar ook bij de controlerende rol van de Eerste Kamer. In het uiterste geval kan dit leiden tot een novelle.
  3. Moties en toezeggingen als beïnvloedingsinstrument
    Hoewel de Eerste Kamer wetten niet kan aanpassen, kunnen moties en toezeggingen wel invloed uitoefenen op de uitvoering ervan. Denk bijvoorbeeld aan het naar voren halen van een evaluatiemoment of het afdwingen van een andere interpretatie van een wetsartikel.

Maar: de Eerste Kamer heeft ook een actieve beleidsrol! Senatoren kunnen onderwerpen agenderen, signalen uit de samenleving oppakken en met schriftelijke vragen druk uitoefenen op de regering. Daarnaast nemen zij petities in ontvangst en gaan ze op werkbezoek. Allemaal mogelijkheden om informatie toe te voegen aan het proces en daarmee bij te dragen aan een breed gedragen besluitvorming.

De invloed van de Eerste Kamer op de Tweede Kamer

De Eerste Kamer speelt ook indirect een rol in de besluitvorming van de Tweede Kamer. Coalities hebben vaak geen meerderheid in de Eerste Kamer en moeten op zoek naar steun van andere partijen om wetsvoorstellen goedgekeurd te krijgen. Dit leidt regelmatig tot politieke deals.

Een recent voorbeeld hiervan is de onderwijsbegroting. Het kabinet wilde forse bezuinigingen doorvoeren, maar een deel van de oppositie in de Tweede Kamer was het daar niet mee eens. Omdat de begroting in de Eerste Kamer dreigde te sneuvelen, sloot het kabinet een akkoord met partijen buiten de coalitie die hen aan een meerderheid konden helpen.

Daarnaast stemmen Eerste Kamerleden soms minder strak langs partijlijnen dan in de Tweede Kamer. Dit betekent dat een belangenbehartiger niet alleen individuele senatoren kan beïnvloeden, maar ook via hen druk kan uitoefenen op hun fractiegenoten in de Tweede Kamer. Hierdoor kunnen wetsvoorstellen al aangepast worden voordat ze in de Eerste Kamer worden behandeld.

Conclusie

Lobbyen in de Eerste Kamer kan de moeite waard zijn voor wie invloed wil uitoefenen op wetgeving. Het is een plek waar wetsvoorstellen nog kunnen worden bijgestuurd, vertraagd of zelfs verworpen. Door strategisch gebruik te maken van moties, toezeggingen en de invloed van senatoren op de Tweede Kamer, kunnen belangenbehartigers een doorslaggevende rol spelen in het wetgevingsproces.

Stikstof en staatskunde: de rol van de ministeriële commissie

Luchtfoto van ministeries in Den Haag waar ministeriële commissies belangrijke beleidsbeslissingen nemen.

Voor kabinet-Schoof is het stikstofdossier een politiek-bestuurlijke nachtmerrie. Dit vraagstuk bestrijkt talloze sectoren en beleidsterreinen: landbouw, industrie, woningbouw, infrastructuur, de energietransitie en defensie. Het kabinet moet een goede balans vinden tussen natuurherstel, uitvoerbaarheid en economische veerkracht.  Het bestuurlijke gereedschap om deze kwestie aan te pakken kwam tijdens een recente wekelijkse persconferentie: de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel. Deze commissie moet een concreet programma ontwikkelen om Nederland uit deze impasse te halen en perspectief te bieden aan de verschillende sectoren. Maar waarom wordt juist voor deze commissie gekozen? Heeft het nut, of is het mogelijk bedoeld om tijd te winnen? En welke ruimte biedt deze commissie voor de PA-professional?

Wat is een ministeriële commissie?
Volgens sectie 5 van het Reglement van Orde kan de ministerraad uit zijn midden een commissie met een tijdelijk karakter vormen ter voorbereiding of ter beslissing van een bepaalde aangelegenheid. De minister-president is voorzitter van deze commissie tenzij anders besloten. De ministerraad kan bepalen dat deze commissie dezelfde werkwijze heeft als een onderraad. Het wezenlijke verschil tussen een onderraad en een ministeriële commissie is hierbij dat een onderraad een permanent karakter heeft en een commissie tijdelijk. De politieke top van verschillende departementen komt in deze kern bijeen om te spreken over een specifiek onderwerp. Bij de commissievergaderingen zijn alleen de relevante ministers aanwezig, in plaats van de volledige ministerraad. De commissie politiseert bestuurlijke uitdagingen en maakt interdepartementale samenwerking noodzakelijk. 

Tijdens enkele grote crisismomenten in het verleden is ook gebruikgemaakt van ministeriële commissies. Deze bieden ruimte voor een kort-cyclische aanpak, wendbaarheid en snelle besluitvorming. Omdat de samenstelling beperkt is tot direct betrokken bewindspersonen kan de commissie snel inspelen op veranderende omstandigheden in tegenstelling tot wanneer dit onderwerp behandeld moet worden met de gehele ministerraad. Zo was er voorheen de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb), die fungeerde als crisisstructuur tijdens de COVID-19-pandemie. Na de MH17-ramp werd in 2014 de Ministeriële Commissie Vliegramp Oekraïne (MCVO) ingesteld ter waarborging van een gedegen strafrechtelijk onderzoek. Onder Rutte II werd in 2013 de Ministeriële Commissie Aanpak Fraude (MCF) in het leven geroepen na de Bulgarenfraude, met als doel wet- en regelgeving fraudebestendiger te maken. Kortom, bij crisismomenten kiest een kabinet wel vaker voor ministeriële commissies — nu ook met de Commissie Economie en Natuurherstel.

Aan tafel of op het menu?
 Als Public Affairs-professional zijn er enkele sleutelpunten om rekening mee te houden bij ministeriële commissies: timing, betrokkenen en inhoud. Ten eerste de timing: (vroeg)tijdigheid is van groot belang. Hoe eerder de opdracht en doelstelling van de commissie bekend zijn bij jou en je klant, des te beter kunnen belangen worden behartigd. De commissie is wendbaarder en kortstondiger in besluitvorming dan de reguliere ministerraad. Hoe eerder je als adviseur inzicht hebt in de agenda en speerpunten, des te effectiever kan de belangenbehartiging worden afgestemd. Dit vereist proactief contact met relevante ambtenaren, beleidsmakers, politieke adviseurs en bewindspersonen. Daarom moet je stakeholdermapping punctueel en volledig zijn. Door de arena (wie) en de timing (wanneer) helder te hebben, voorkom je dat het juiste moment voor belangenbehartiging aan je voorbijgaat.

Tot slot de inhoud. Een ministeriële commissie werkt per definitie interdepartementaal, maar betrokken ambtenaren kunnen geneigd zijn te redeneren vanuit hun eigen verkokerde beleidsterrein. Hier kan Public Affairs bij uitstek een verbindende rol innemen. De input die je levert als Public Affairs-adviseur moet verder reiken dan de belangen van slechts één departement.

EPPA Insights: voorstel motie-maximum verworpen – hoe nu verder?

Lege vergaderzaal van de Tweede Kamer.


De Tweede Kamer dient al jaren steeds meer moties in, wat het instrument volgens critici minder effectief maakt. Henri Bontenbal (CDA) deed daarom een voorstel om een motie-maximum per fractie in te stellen. Afgelopen week verwierp bijna de voltallige Tweede Kamer dit idee echter, na een boeiend debat. De Kamer nam wel twee moties aan – over een live register en de volledige motietitel weergeven – die impact kunnen hebben op het werk van belangenbehartigers.

Voorstel Bontenbal: 150 moties per fractie

Concreet hield het voorstel van Bontenbal in dat elke fractie maximaal 150 moties per jaar mag indienen, aangevuld met één extra motie per fractielid. Daarnaast zou een maximum van twee moties per fractie per debat moeten gelden, met uitzondering van wetgevingsoverleggen. Dit betekent dat een fractie met 20 leden 170 moties per jaar kan indienen.

Als het voorstel van Bontenbal was aangenomen, zou dit met de huidige samenstelling van de Tweede Kamer leiden tot ongeveer een halvering van het aantal ingediende moties ten opzichte van de huidige situatie. De afgelopen jaren is het aantal moties immers exponentieel gestegen. In 2022 werd zelfs een recordaantal van 5.011 moties ingediend. In de laatste maanden van 2024 waren dat er dagelijks gemiddeld zeventien.

Balans tussen effectiviteit en controle

Het debat over het beperken van het aantal moties raakte aan een fundamentele vraag. Hoe waarborgt de Kamer een evenwicht tussen effectief parlementair werk en een krachtige controlefunctie?

Voorstanders, zoals JA21, erkennen dat moties een bot instrument zijn geworden en steunen een quotum om de kwaliteit te verbeteren. Zij wijzen erop dat Kamerleden nog voldoende andere middelen hebben om het kabinet te controleren, zoals amendementen en schriftelijke vragen. Het voorstel om moties te maximeren is dan ook relatief gunstig voor kleine fracties, omdat het verschil t.o.v. grotere fracties beperkt is. Doordat zij niet bij alle debatten aanwezig kunnen zijn, lopen zij bovendien minder snel het risico dat hun moties “opraken”.

Aan de andere kant betwijfelen GroenLinks-PvdA en NSC of een beperking daadwerkelijk leidt tot betere moties. Zij zeggen dat de drang om te scoren zal blijven bestaan, en dat de kwaliteit van moties vooral afhangt van de inzet en expertise van de Kamerleden zelf.

Ook de juridische houdbaarheid wordt in twijfel getrokken. De SP stelt dat een limiet op moties strijdig is met artikel 67 van de Grondwet: vrijheid van beraadslaging van de Tweede Kamer. Bontenbal zegt hierop dat de Grondwet moties niet expliciet noemt en dat het parlement zelf regels mag maken over de manier van werken.

Een kritische kanttekening

Staatsrechtdeskundigen als Wim Voermans plaatsen eveneens kritische kanttekeningen bij het voorstel van Bontenbal. Volgens Voermans is de toename van moties geen probleem op zich. Het is eerder een gevolg van de assertievere rol die de Tweede Kamer de afgelopen vijftien jaar heeft ingenomen. Deze verandering is volgens hem het resultaat van de gegroeide macht van het kabinet.  De motie, zo stelt hij, is een belangrijk instrument geworden in de dualistische verhouding tussen Kamer en regering. Ze worden niet alleen als signaal richting de achterban gebruikt, maar ook als middel om concreet beleid te beïnvloeden. Daarnaast wijst hij erop dat aangenomen moties in veel gevallen daadwerkelijk impact hebben, zoals bleek bij de aanpassingen in de begroting van kabinet-Schoof afgelopen najaar.

Hoe krijgt de Tweede Kamer wel meer grip op de gepercipieerde “motie-inflatie”?

Nu het voorstel van Bontenbal voor een motie-maximum geen meerderheid heeft behaald, is het de vraag hoe de Tweede Kamer hiermee verder gaat. Uit het debat bleek wel dat de zorgen over de motie als bot instrument en de exponentiële toename ervan breed worden gedeeld. Vorige maand schreven we bijvoorbeeld al over het nieuwe beoordelingskader voor moties, een andere poging om het aantal moties terug te dringen.

Het werk van de belangenbehartiger

De eerste motie is een oproep om een live motieregister op te zetten voor de uitvoering van aangenomen moties. De tweede motie schrijft voor dat bij publicatie voortaan de appreciatie en de letterlijke tekst wordt meegenomen.

Deze laatste motie schept meer duidelijkheid, maar of het de publicatiedrang – een belangrijke drijfveer achter de toename van moties – zal verminderen, is niet zeker. Omdat het verzoek aan de regering volledig wordt gepubliceerd, zullen Kamerleden zorgvuldig nadenken over de formulering. Daarbij spelen twee overwegingen een rol: enerzijds wil het Kamerlid daadkracht blijven uitstralen naar de achterban, zeker wanneer de motie via sociale media wordt gedeeld. Voorheen was de samenvatting van het verzoek hier een handig middel voor, nu zal dat mogelijk het volledige verzoek van de motie worden. Anderzijds moet de motie voldoende steun krijgen en mag deze niet te stellig geformuleerd zijn om andere partijen niet af te schrikken mee te stemmen. Als belangenbehartiger zijn dit belangrijke aspecten om in gedachten te houden bij het contact met Kamerleden.

Een ander interessant voorstel is de instelling van een live motieregister, waarin de uitvoering van aangenomen moties wordt bijgehouden. Hoewel de precieze invulling en het beheer nog onduidelijk zijn, kan dit voor belangenbehartigers een waardevol hulpmiddel zijn, vooral in combinatie met het verzoek uit een andere motie om ook de appreciatie van bewindspersonen te publiceren. Voorheen moest men hiervoor het debat volgen of het stenogram raadplegen. Het register helpt bij het monitoren van de voortgang van moties en biedt inzicht in de mate waarin een ministerie ermee aan de slag is. Daarnaast maakt het mogelijk om snel op de hoogte te raken van een dossier, zelfs wanneer iemand later in het proces instapt. Dit stelt belangenbehartigers in staat om tijdig contact te zoeken met het ministerie en actief bij te dragen met kennis en ervaring in de zoektocht naar een oplossing.

Het motie-maximum is van tafel, maar de discussie is nog lang niet voorbij. De Kamer worstelt met een stortvloed aan moties en zoekt naar manieren om grip te houden op de kwaliteit en impact ervan. Of het live register en de uitgebreidere publicatieplicht daarbij gaan helpen, moet nog blijken. Eén ding is zeker: zolang Kamerleden hun stempel willen drukken, blijft de motie een geliefd instrument.

EPPA Insights: nieuw beoordelingskader moties

Afbeelding van een overzicht van het nieuwe beoordelingskader voor moties, waarin de criteria en stappen worden gepresenteerd die bepalend zijn voor de beoordeling en de besluitvorming van moties binnen de context van het beleid. Het kader legt nadruk op transparantie, consistentie en verantwoording bij het evalueren van moties in het politieke proces.

Vak k. Kabinet.Nieuwe beoordelingskader voor moties, waarin de criteria en stappen worden gepresenteerd die bepalend zijn voor de beoordeling en de besluitvorming van moties binnen de context van het beleid.

De Tweede Kamer hanteert sinds 19 november 2024 een nieuw beoordelingskader voor moties. Waarom is dit nieuwe kader vastgesteld, en waar komen moties eigenlijk vandaan? Dit artikel belicht de geschiedenis en de gevolgen van het nieuwe beoordelingskader.

Motie-inflatie

In 2022 werd een recordaantal van 5045 moties ingediend, een verdubbeling ten opzichte van tien jaar eerder. Deze stijging heeft geleid tot zorgen over de effectiviteit van moties als politiek instrument. De werkgroep Versterking functies Tweede Kamer, onder leiding van Kamerlid Van der Staaij, waarschuwde in 2021 dat een overvloed aan moties hun impact vermindert. Dit probleem werd al eerder gesignaleerd: in 1985 concludeerde een bijzondere commissie onder leiding van Kamervoorzitter Dolman dat een stortvloed aan moties tot “verwatering van het instrument” leidt. Fun fact: In 1987 waren het er ‘slechts’ 387.

Versterkte appreciatie ‘ontraden’

Door het aanpassen van het kader met meer eenduidige definities beoogt de Kamer een bijdrage te leveren aan het terugdringen van het aantal moties. Het initiatief komt voort uit de behoefte van zowel Kamerleden als bewindspersonen om de effectiviteit van het motie-instrument weer te vergroten.

Een van de meest in het oog springende wijzigingen is de versterkte lading van de appreciatie ‘ontraden’. Waar deze term voorheen ook om niet-inhoudelijke redenen werd gebruikt, is voortaan vastgelegd dat ‘ontraden’ uitsluitend mag worden toegepast bij inhoudelijke bezwaren. Dit kan bijvoorbeeld betrekking hebben op juridische of financiële bezwaren, uitvoeringsproblemen, of politieke onwenselijkheid. Dit mes snijdt aan twee kanten: de minister kan een motie niet langer zonder inhoudelijk bezwaar ontraden, maar de appreciatie ‘ontraden’ krijgt daardoor meer gewicht, wat de steun van andere partijen voor de motie kan verminderen.

Nieuwe appreciaties: ‘overbodig’ en ‘ontijdig’

Het beoordelingskader introduceert daarnaast twee nieuwe appreciaties:

  • Overbodig: Deze term wordt gebruikt wanneer een motie geen meerwaarde heeft omdat deze staand beleid ondersteunt, een reeds gedane toezegging betreft, of vanzelfsprekend is. De indiener kan in dergelijke gevallen gevraagd worden de motie in te trekken.
  • Ontijdig: Deze appreciatie wordt ingezet wanneer een motie te vroeg komt of niet aan de juiste bewindspersoon is gericht. Dit sluit aan op situaties waarin een bewindspersoon eerder heeft gevraagd een motie aan te houden, maar de indiener dit verzoek niet opvolgt.

Het volledige nieuwe beoordelingskader voor moties

Het vernieuwde beoordelingskader biedt nu vijf vaste appreciaties voor moties:

  1. Oordeel Kamer: Geen bezwaar tegen de inhoud van de motie.
  2. Ontraden: Inhoudelijke bezwaren.
  3. Overbodig: Geen toegevoegde waarde.
  4. Ontijdig: Verkeerde timing of adressering.
  5. Onaanvaardbaar: Uitzonderlijke gevallen waarbij fundamentele bezwaren bestaan, bijvoorbeeld met betrekking tot de positie van een bewindspersoon of het kabinet.

Meerwaarde voor bewindspersonen en Kamerleden

Het nieuwe kader geeft bewindspersonen een duidelijker handvat bij de beoordeling van moties. Door vaste definities te hanteren, wordt verwacht dat de appreciaties consistenter en doelmatiger ingezet worden. Het resultaat: een efficiënter gebruik van het motie-instrument, minder verwarring en meer focus op moties die werkelijk impact maken.

Waar komen moties vandaan?

Een motie in de Tweede Kamer is een uitspraak waarmee de Kamer haar mening over een onderwerp kenbaar maakt, zonder het kabinet aan deze uitspraak te binden. Moties beginnen met “De Kamer, gehoord de beraadslaging” en eindigen met “en gaat over tot de orde van de dag”, een formulering die historisch verwijst naar de negentiende-eeuwse praktijk van ordepunten tijdens debatten.

In 1849 introduceerde Kamerlid De Man de eerste inhoudelijke motie van orde, wat leidde tot een debat over de reikwijdte van moties. Uiteindelijk werd vastgesteld dat moties geschikt zijn voor het uitdrukken van de Kamer’s mening, inclusief inhoudelijke kwesties. In 1866 steunde de Tweede Kamer de eerste motie – de motie-Keuchenius – die uiting geeft aan de vertrouwensband tussen regering en parlement. Daarmee is de vertrouwensregel al (bijna) honderdvijftig jaar een feit: indien het parlement het vertrouwen opzegt in het kabinet respectievelijk een individueel bewindspersoon, dient deze zijn of haar ontslag aan te bieden.

Een praktijkvoorbeeld

Zo verzocht Kamerlid De Hoop bijvoorbeeld middels een motie de regering om in gesprek te gaan met ProRail, NS en de provincie Zeeland om te onderzoeken of de Zeeuwse lijn gekoppeld kan worden aan de HSL-Zuid en de Kamer hierover te informeren. De staatssecretaris gaf deze motie het oordeel ‘overbodig’. De aansluiting van de Zeeuwse lijn op de HSL-Zuid werd al meegenomen in stap drie van het programma Wind in de zeilen. Hierdoor is dit onderzoek al staand beleid en de motie dus ‘overbodig’.

De gereedschapskist van de lobbyist: de petitieaanbieding

Petitieaanbiedingen zijn een traditioneel instrument binnen de gereedschapskist van lobbyisten en belangenorganisaties. Het recht op petitie staat immers al in de Grondwet. Met een goed voorbereide petitie kunnen organisaties op een symbolische én inhoudelijke manier aandacht vragen voor een onderwerp en Kamerleden direct aanspreken. Dit artikel belicht wat een petitieaanbieding precies is, de manier om een petitie in te dienen, hoe media en digitale tools de impact kunnen vergroten, en waarom petitieaanbiedingen aan populariteit winnen als strategisch middel in public affairs. 

Wat is een petitieaanbieding? 

Een petitieaanbieding is een ceremonieel moment waarbij een organisatie of groep burgers een schriftelijke oproep – de petitie – formeel aanbiedt aan leden van de Tweede (of Eerste!) Kamer. Dit recht, het petitierecht, is grondwettelijk vastgelegd. Hoewel de petitieaanbieding zelf kort duurt, is het een belangrijke gelegenheid om op een concrete manier de aandacht van Kamerleden te trekken. Petities worden doorgaans in ontvangst genomen op dinsdagmiddag, door de Kamercommissie die over het betreffende onderwerp gaat.  

Belangrijke elementen van een petitie 

Het indienen van een petitie begint met een helder geformuleerde boodschap en een duidelijk doel. Een sterke petitie bevat: 

  • Een pakkende titel 
  • Feiten en cijfers: Onderbouw je oproep met relevante data en onderzoeken. 
  • Een duidelijke oproep tot actie: Wat wil je dat de Tweede of Eerste Kamer doet? 

Tijdens het overhandigen van de petitie heeft de initiatiefnemer ongeveer 15 minuten. Hierin kan een korte toelichting gegeven worden over het initiatief, eventuele vragen worden beantwoord, en een foto gemaakt worden van de overhandiging. Het is dus van belang om de kernboodschappen duidelijk te hebben, om in die korte tijd de boodschap zo goed mogelijk over te brengen.  

Het moment benutten: media en digital public affairs 

Petitieaanbiedingen zijn niet alleen fysieke momenten; ze bieden ook een kans om in het nieuws of online impact te maken. Door gebruik te maken van social media, persberichten, en video’s kan de boodschap verder verspreid worden en zo een breder publiek bereiken. 

Professionele foto’s van petitieaanbiedingen, interviews met betrokkenen, en pakkende visuals helpen om zowel de traditionele als digitale media te benutten. Bovendien kan na de aanbieding de boodschap blijvend worden versterkt door het gesprek online voort te zetten. 

Bovendien worden petitieaanbiedingen steeds vaker gecombineerd met creatieve acties of evenementen. Denk aan het aanbieden van een fysiek object, zoals een symbolisch product of kunstwerk, dat de kern van de boodschap benadrukt. Deze benadering maakt de overhandiging niet alleen (social) mediageniek, maar versterkt ook de inhoudelijke boodschap. 

Stijgende trend: toename petities 

In een tijd waarin de Tweede Kamer overspoeld wordt met informatie en waarin belangenorganisaties moeite hebben om in contact te komen met Kamerleden, bieden petities een uitgelezen kans om aandacht te trekken. De persoonlijke interactie en symbolische kracht van een fysieke aanbieding zorgen ervoor dat het lobbyinstrument aan populariteit wint.  

Conclusie 

Een petitieaanbieding is meer dan een ceremonieel moment; het is een strategisch middel waarmee een onderwerp op de politieke agenda gezet kan worden. Door een goede voorbereiding, het benutten van media, en een krachtige boodschap is het mogelijk om met een petitie een blijvende indruk achter te laten bij beleidsmakers. 

Meer weten over het vormgeven en aanbieden van een petitie? Neem contact met ons op; we denken graag mee! 

De gereedschapskist van de lobbyist 
Dit artikel is onderdeel van de serie ‘De gereedschapskist van de lobbyist’. In deze serie lichten we verschillende ’tools’ uit die lobbyisten kunnen inzetten bij het activeren van hun lobbystrategieën. Houd onze nieuwspagina in de gaten voor meer artikelen.