Geen commentaar

Geschreven door: Rob Sebes

In de nachtelijke uurtjes na het debat waarin hij een motie van wantrouwen overleefde, zei minister Ronald Plasterk iets dat vanuit communicatie- en mediastrategie de aandacht trekt. De bewindsman gaat minder optreden in televisieprogramma’s en zal voortaan op vragen van journalisten vaker antwoorden met ‘geen commentaar’.

Dit is zó jaren zestig vorige eeuw. Toen kon een minister nog wegkomen met de bekende frase ‘geen commentaar’. De uiterst beleefde journalist dankte de bewindpersoon in zo’n geval óók nog. Kennelijk voor het feit dat de minister zich had verwaardigd überhaupt tegen de journalist te spreken.

Nu zal Plasterk waarschijnlijk niet letterlijk bedoeld hebben dat hij vaker ‘geen commentaar’ zal zeggen. Het gaat meer om de verbeelding: ik ben stout geweest door almaar op tv te komen en zo graag met journalisten te praten en ik ga mijn leven beteren.

Maar daar gaat het helemaal niet om. Wanneer Plasterk de behoefte voelt om de publiciteit te zoeken over spannende onderwerpen als het samenvoegen van provincies en deregulering, moet hij vooral zijn gang gaan. Alleen zijn hooguit de betrokken bestuurders en bewoners hierin geïnteresseerd. En dus staan de media niet te trappelen om Plasterk hierover aan het woord te laten.

Juiste strategie?
Waar gaat het dan wél om? Het gaat om het antwoord op de vraag: heeft het kabinet de juiste communicatie- en mediastrategie gekozen wanneer het om uiterst gevoelige onderwerpen gaat als het registreren dan wel afluisteren van telefoongesprekken door geheime diensten in het kader van terreurbestrijding?

Het antwoord is ondubbelzinnig ‘nee’. Plasterk gaat er over, maar ook zijn collega Hennis. Dat zijn de vakministers. Maar premier Rutte en minister Opstelten kijken over hun schouder mee en dat zal minister Timmermans ook wel doen. Dus de voorlichtingsdiensten van al deze bewindspersonen hebben er mee te maken. Zo’n verdeelde verantwoordelijkheid leidt per definitie tot een verdeelde communicatie- en mediastrategie.

De pogingen die de laatste jaren zijn ondernomen om de voorlichting vanuit de ministeries beter te coördineren, zijn blijkbaar niet van toepassing op het gevoelige dossier van de geheime diensten. Of de pogingen zijn gestrand dan wel hebben een verkeerde aanpak opgeleverd.

Gezamenlijke aanpak
Om te voorkómen dat er weer zo’n toestand ontstaat als rond Plasterk, zouden de voorlichters van alle betrokken departementen de handen ineen moeten slaan om op dit dossier ‘voor eens en voor altijd’ een strakke, gezamenlijke communicatie- en mediastrategie op te zetten. Een strategie waaraan alle ministeries zich te allen tijde houden. Waarin strak is afgebakend welke boodschappen vanuit het kabinet wél en welke beslist niét mogen worden verkondigd. Plus welke minister op welk moment iets naar buiten kan brengen.

Dit laatste kan ertoe leiden dat een minister tegen iedereen – parlement, pers en samenleving – bijvoorbeeld moet zeggen: ‘Sorry, maar hier kan ik uit veiligheidsoverwegingen of in het belang van terreurbestrijding niets over naar buiten brengen’.

Kamer, pers én samenleving zullen dat begrijpen, zeker als er een consistente lijn in de communicatie- en mediastrategie zit. Dat is veruit beter dan het bezigen van de holle frase ‘geen commentaar’.

 

Een reactie plaatsen