De route naar toekomstige welvaart: wat het rapport-Wennink vraagt van Nederland 

Afgelopen vrijdag presenteerde Peter Wennink het lang verwachte rapport ´de route naar toekomstige welvaart´. De voormalig CEO van ASML kreeg 3 maanden geleden de opdracht om het advies te schrijven. De boodschap is helder: Nederland is nu nog rijk en welvarend, maar het is allerminst een zekerheid dat dit zo blijft. Er zijn miljarden aan investeringen en bestuurlijke veranderingen nodig om dat zo te houden. 

Ontbrekende randvoorwaarden 

Het pessimisme over de toekomst van de Nederlandse economie wordt volgens het rapport breed gevoeld. Dat sentiment komt niet voort uit één fout, maar uit verschillende blokkades zoals vastgelopen vergunningverlening, netcongestie, hoge energieprijzen, gebrek aan risicokapitaal, versnipperde governance en bestuurlijke instabiliteit. De randvoorwaarden om in Nederland succesvol te zijn ontbreken. 

Dat is zorgwekkend, zeker op de sectoren en technologieën die een groot deel van het toekomstige mondiale verdienmodel bepalen. Nederland scoort hierop relatief slecht. Dat betekent dat we in toenemende mate afhankelijk worden van andere landen. Dat is slecht voor onze economie, welvaart en veiligheid. Als Nederland alleen “afnemer” wordt van technologie, verliest het zijn strategische relevantie. 

Het Wennink-rapport roept op nu in te grijpen. Om publieke voorzieningen (zorg, onderwijs, defensie, klimaat) betaalbaar te houden, is structurele economische groei van 1,5–2% per jaar nodig. De huidige vooruitzichten (0,5–0,9%) zijn daarvoor onvoldoende. Nederland heeft €151–187 miljard aan extra productiviteitsverhogende investeringen nodig in tien jaar. Het grootste deel moet privaat zijn, maar dit lukt alleen als de overheid de randvoorwaarden verbetert. 

Vier specifieke domeinen 

Opvallend is dat het rapport sterk inzet op het verbeteren van randvoorwaarden zoals trage vergunningverlening & regelgeving (o.a. stikstof, ruimtelijke procedures), tekort aan talent, energieproblemen, en de verzwakte economische infrastructuur. Maar het doet dit niet in de klassieke, generieke zin waarbij het gaat om “betere randvoorwaarden voor iedereen”. Het gaat om gerichte ingrepen die ruimte moeten creëren voor vier specifieke economische domeinen: 

1. Digitalisering & AI 
Cruciaal voor productiviteit, overheidsefficiëntie en concurrentiekracht. 

2. Veiligheid & weerbaarheid 
Defensie, cybersecurity, drones en hybride dreigingen. 

3. Energie- & klimaattechnologie 
Betaalbare energie, netcapaciteit, batterijen, waterstof, kerntechnologie. 

4. Life sciences & biotechnologie 
Gezondheid, medicijnen, voedselzekerheid, bio-industrie. 

Deze domeinen zijn bepalend voor zowel welvaart als geopolitieke macht. 

Dit is interessant omdat het een cruciaal kantelpunt in politiek denken laat zien. Het Wennink-rapport stelt feitelijk dat Nederland moet afstappen van het klassiek ´marktdenken´ waarin marktpartijen het wel oplossen. Wennink stelt dat er: 

  1. Bewust moet worden gekozen voor specifieke strategische sectoren; 
  2. Middelen geconcentreerd moeten worden en ingezet ten faveure van die strategische sectoren; 
  3. Het accepteren dat niet elke sector zal winnen, er zijn winnaars en verliezers. 

Keuzes maken 

Nederland moet volgens het Wennink-rapport keuzes maken. Maar welke keuzes dat ook zijn, ze zullen grote impact hebben op de Nederlandse economie en daarmee het bedrijfsleven. Een goed voorbeeld is het stikstofdossier. Een gerichte doorbraak betekent dat stikstofruimte bewust wordt ingezet voor activiteiten die bijdragen aan toekomstig verdienvermogen, terwijl andere activiteiten, met name in delen van de landbouw, moeten inkrimpen.  

Een ander illustratief voorbeeld is defensie. Het rapport neemt de NAVO-norm van 3,5 procent voor defensie-uitgaven en voegt daar 1,5 procent aan veiligheid gerelateerde uitgaven aan toe. Waar moet dat bedrag dat miljarden euro´s vertegenwoordigd aan worden besteed? Het Wennink-rapport stelt dat deze onder andere geïnvesteerd moet worden om de Nederlandse mainports en innovatie-ecosystemen zoals Brainport te stimuleren. 

Keuzes hebben echter ook verregaande consequenties voor de ogenschijnlijke winnaars. Binnen elk strategisch domein bestaan talloze toepassingen en technologieën. Nederland kan niet op al deze fronten tegelijk uitblinken. Het rapport maakt duidelijk dat focus noodzakelijk is en doet met concrete proposities al een voorzet voor waar investeringen het meest kansrijk zijn. Is dit leidend of is er nog ruimte voor flexibiliteit? Dat maakt strategische positionering, samenwerkingen, en goede informatie essentieel. 

Hoe verder? 

Ook daadwerkelijke winnaars in dit rapport zijn niet automatisch verzekerd van succes. De vraag is of zij voldoende voorbereid zijn, zowel inhoudelijk als organisatorisch, om deze kansen te benutten. Bovendien zijn de aanbevelingen uit het rapport nog ver van realisatie in politiek woelige tijden. Het rapport laat vooral zien dat er nog veel werk te verrichten is, mogelijk meer dan eerder werd gedacht. Dit vraagt ook van potentiële winnaars een actieve inspanning om zich scherp te positioneren, hun proposities te versterken en de aanbevelingen uit het rapport overtuigend te vertalen naar concrete en uitvoerbare voorstellen. 

Kortom, het Wennink-rapport maakt duidelijk dat toekomstige welvaart afhangt van het maken van grote keuzes, die ingrijpende politieke en bestuurlijke veranderingen vereisen. Alleen door gerichte investeringen, heldere prioriteiten en bestuurlijke doorbraken kan Nederland zijn toekomstige welvaart veiligstellen. Het rapport laat zien dat kiezen onvermijdelijk winnaars en verliezers oplevert, en dat deze keuzes nog verre van realiteit zijn, maar ook dat niet kiezen de grootste verliezer creëert: de Nederlandse samenleving als geheel. 

De hockeyclub van Vera Bergkamp

door Rob Sebes*

Deze column gaat niet over een mogelijk aftreden van Kamervoorzitter Vera Bergkamp, maar over haar optreden. Vanuit communicatie-oogpunt, wel te verstaan.

De onthulling over het onderzoek naar Khadija Arib heeft de reguliere communicatie van de Kamervoorzitter danig in de war geschopt. Blijkbaar hadden Bergkamp en haar adviseurs/begeleiders het onderzoek intern vóór deze publicatie niet als communicatief issue aangemerkt. Ze hebben er in elk geval, aan het optreden van Bergkamp te zien, niet naar gehandeld.

Dat had wél moeten gebeuren. Daarmee had heel wat malheur kunnen worden voorkómen. Immers, wanneer je iets als een issue bestempelt, wordt het noodzakelijk de communicatie op een hoger strategisch niveau te brengen en dus prioriteit te geven. Doe je dat niet, dan ontwikkelt het issue zich razendsnel tot een crisis en ga je van incident naar incident, zoals nu blijkt.

Laten we het optreden van Bergkamp eens langs de ‘meetlat’ van enkele belangrijke criteria van issuecommunicatie leggen.

Allereerst moet er een nauwkeurig doel worden vastgesteld. Het politiek/bestuurlijke/ambtelijke doel is kennelijk: ‘Koste wat het kost moet het onderzoek doorgaan’. Daar dient dan een specifiek communicatiedoel aan te worden gekoppeld.

Bijvoorbeeld: ‘Onze doelgroepen (Kamerleden, pers, de bevolking die wij vertegenwoordigen) moeten dit begrijpen/accepteren. Daarom is de communicatie gericht op het bestendigen of indien nodig veranderen van houding en gedrag van onze doelgroepen’. In de optredens van Bergkamp blijkt hier niets van.

Rommelig

Het tweede criterium is de kernboodschap, die moet worden voorzien van argumenten en bewijsvoering. Bij de genoemde kernboodschap ‘onderzoek moet doorgaan’ ontbreekt de argumentatie of is deze rommelig. Afgelopen vrijdagavond zei Bergkamp iets van: ‘Bij de eerste de beste hockeyclub wordt zo’n onderzoek wél gedaan, in de Tweede Kamer niet?’ Bepaald niet handig en vooral geen overtuigend argument.

Vervolgens de empathie met het issue en de personen die het aangaat – zoals de opgestapte ambtenaren en de Kamerleden met wie ze in debat wil. Bergkamp kwam niet verder dan (hier samengevatte) uitspraken als ‘we moeten de scherven lijmen om de boel bij elkaar te houden’ en dat zij zich ergerde aan het ‘verharde politieke en mediaklimaat waarin ambtenaren met naam en toenaam werden genoemd’. Ofwel, het is volgens de Kamervoorzitter allemaal de schuld van anderen.

Vluchtige media-oploopjes

Tot slot de inzet van communicatiemiddelen. Bergkamp lijkt, naast de gebruikelijke Kamerbrieven, in haar externe communicatie te kiezen voor relatief korte en vluchtige media-oploopjes in de wandelgangen van het huidige Kamergebouw.

Omringd door vele microfoons en camera’s komt zij als aangeschoten wild in beeld en beantwoordt zij onsamenhangend een spervuur aan zeer terecht gestelde kritische vragen.

In plaats van deze media-oploopjes hadden zij en haar adviseurs moeten kiezen voor een proactieve, structurele communicatie richting doelgroepen en pers waarbij geen communicatiemiddel onbenut mag blijven. Zeker in deze tijd waarin ‘klassieke’ en digitale communicatiemiddelen elkaar in hoog tempo afwisselen en aanvullen.

Communicatie kan nooit recht praten wat krom is. Maar gerichte issuecommunicatie kan zeker helpen de (reputatie-) schade te beperken. Dat weten ze zelfs bij de hockeyclub.

 

*Rob Sebes is partner en communicatiestrateeg bij EPPA Den Haag

 

Twitter, de vijfde macht (?)

Weinig digitale media domineerden het nieuws de afgelopen weken zoals Twitter dat deed. Journalisten, onze officieuze vierde macht, leverden kritiek, lof en alles daartussenin op het veelbesproken sociale medium. Het platform heeft dan ook te maken met nieuwswaardige uitdagingen: een massale ontslagronde, een onzekere relatie met Europese beleidsmakers en een mogelijke massaclaim in Nederland die kan uitlopen op een grootschalige rechtszaak. Bovendien zou er in ‘extreemrechtse kringen een oorverdovend gejuich’ te horen zijn sinds Elon Musks overname van Twitter, aldus een column in Het Financieele Dagblad.

Ook in Den Haag uiten politici hun zorgen over misbruik van het ‘vrije woord’ op Twitter. En waar uiten zij die zorgen? Op Twitter. Hiermee wordt de politieke afhankelijkheid van het sociale medium pijnlijk duidelijk. En die afhankelijkheid gaat nóg verder. Politieke toeschouwers weten immers dat Kamervragen vaak gebaseerd worden op nieuwsberichten én Twitterberichten. Hiermee lijkt Twitter verheven tot een soort halfslachtige vijfde macht. Immers, politici gebruiken het medium ook om rechtstreeks te discussiëren met kiezers.

Deze haat-liefdesrelatie met het online platform geldt bovendien ook voor de eerdergenoemde kritische journalisten. Ook de meesten onder hen zeggen hun Twitter-accounts voorlopig niet op. Tegelijkertijd is de toekomst van het platform zeer onzeker. Accounts op Twitter kunnen nu voor €8 een blauw verificatieteken krijgen, hetgeen voor veel verwarring zorgt. Afgelopen donderdag nog postte een nep-account van Eli Lilly dat insuline gratis zou worden. De aandelenkoers van Eli Lilly daalde met 4.37%.

De huidige controverse is dan ook een mooie gelegenheid voor zelfreflectie bij pers en politiek. Hoe afhankelijk willen deze instituten zijn van één sociaal medium? Voorlopig luidt het antwoord op die vraag: ‘zeer afhankelijk’.

Opinie: Wacht niet langer met het openstellen van commissiedebatten voor publiek

door Nora van Elferen*

Transparantie parlement cruciaal voor democratie

Sinds het voorjaarsreces kunnen burgers de Tweede Kamer weer als vanouds bezoeken, twee jaar nadat het parlement op 11 maart 2020 haar deuren sloot door de coronacrisis. Deze rigoureuze stap kenmerkte de ernst van de coronacrisis voor de Kamer destijds, die immers internationaal bekend staat als toegankelijk en transparant. Er gelden geen beperkingen meer voor de publieke tribune van de plenaire zaal, er is niet langer een maximale duur aan bezoek verbonden en fysieke petitie-aanbiedingen, een van de oudste middelen van burgers om een thema in Den Haag te agenderen, zijn weer mogelijk. Een belangrijke stap om de traditionele transparantie van de Nederlandse democratie te herstellen.

Omgangsvormen in het parlement: geen publiek meer bij commissiedebatten?

Een vaak vergeten maar cruciaal onderdeel van de Nederlandse democratie blijft zich echter afspelen achter gesloten deuren: de commissiezalen. Pakweg 80% van de debatten in de Tweede Kamer vindt in deze zalen plaats, over onderwerpen die variëren van stikstof, de woningmarkt of Oekraïne. Deze commissiedebatten krijgen traditioneel gezien minder media-aandacht, maar zijn bij uitstek de plek waar Kamerleden inhoudelijk met elkaar debatteren over de prangende problemen van Nederland.

Voorzitter Bergkamp houdt in de laatste brief aan de Kamerleden van eind februari echter vast aan een vergaderopstelling met 1,5 meter afstand. De zalen in de nieuwe accommodatie zijn dan te klein voor publiek. Pas rond het meireces voorziet de voorzitter mogelijk verdere versoepelingen in het parlement. Burgers zijn aangewezen op de nauwelijks bekende videofeeds om debatten te volgen. Videoregistratie doet echter geen recht aan de dynamiek van het fysieke debat en ontneemt burgers de kans om hun volksvertegenwoordigers in levenden lijve in actie te zien.

Wacht niet langer met het openstellen van commissiedebatten voor publiek

Een opmerkelijke keuze. Op 15 maart mochten 55.000 man dicht opeengepakt in de Arena naar Ajax-Benfica kijken maar een van de belangrijkste onderdelen van het parlementaire proces blijft gesloten voor publiek? Is dit een voorbeeld van de nieuwe bestuurscultuur? Zijn dit de fatsoenlijke omgangsvormen waar zoveel over te doen is in de Tweede Kamer? Of zegt dit wellicht iets over het belang wat de Kamer zelf hecht aan de transparantie van debatten in de commissiezalen, waar minder camera’s op zijn gericht en waar het moeilijker is om Twitter-filmpjes op te nemen?

Het is te hopen dat de Kamer zo snel mogelijk weer publiek toelaat in commissiedebatten om niet langer de transparantie van het Nederlandse parlement onnodig in te perken. Dat zou pas een voorbeeld van fatsoenlijke omgangsvormen in de nieuwe bestuurscultuur zijn.

*senior consultant bij advieskantoor EPPA Politiek & Lobby. EPPA zet zich in om de toegankelijkheid van de Nederlandse politiek te vergroten.  

Russische inval noodzaakt tot heroverweging issuemanagement

door Rob Sebes en Willem Jan Roelofs*

De Russische inval in Oekraïne is natuurlijk in de eerste plaats een ongekend drama voor de lokale bevolking, inclusief de vluchtelingen die van de ene op de andere dag huis en haard moeten verlaten.

Maar de ontstane crisis heeft ook politieke, economische en maatschappelijke gevolgen voor het Westen en dus voor Nederland. Onvermijdelijk zal dat ook de public affairs, lobby en communicatie van bedrijven en organisaties beïnvloeden.

Het kabinet en veel andere landen in Europa zetten volop in op militaire steun aan Oekraïne en het financieel-economisch isoleren van Rusland en de oligarchie. De sportwereld roert zich. Ook andere sectoren kunnen en zullen niet achterblijven met het nemen van sancties, zoals de luchtvaart en de cultuursector al laten zien. Misschien dat een staakt het vuren al dan niet tijdelijk een time-out geeft, maar de oorlogsdreiging en de sancties lijken voorlopig te blijven bestaan.
Hoe langer dit duurt, des te meer negatieve gevolgen dat zal hebben voor de bevolking in westerse landen. De landelijke politiek, consumenten en bedrijven maar ook publieke sectoren op decentraal niveau krijgen er allemaal mee te maken.

Ander speelveld, andere randvoorwaarden

Het zal onvermijdelijk leiden tot een herschikking van prioriteiten in Nederland. Het politieke, bestuurlijke, economische en maatschappelijke speelveld zal dan veranderen.

Als je zo door redeneert, kun je concluderen dat ook de randvoorwaarden zullen veranderen voor de public affairs, lobby en communicatie van bedrijven, maatschappelijke instellingen en publieke organisaties. Het is bij uitstek de taak van de professionals in genoemde vakgebieden – die immers per definitie ‘van buiten naar binnen kijken’- om de vertaalslag te maken naar de eigen organisatie.

Geëigend instrument

Het geëigende instrument om te beoordelen of een gebeurtenis ‘in de boze buitenwereld’ mogelijk invloed heeft op een organisatie is issuemanagement. Gezien de impact van de oorlog in Oekraïne is het zaak dat bedrijven, instellingen en publieke organisaties – inclusief de rijksoverheid – snel hun issuemanagement activeren, eventueel herijken én actualiseren.

Maak een quickscan met als centrale vraag: heeft de situatie in Oekraïne op de korte of langere termijn mogelijk gevolgen voor onze organisatie, onze stakeholders en/of onze doelgroepen; zo ja, welke gevolgen zijn dat en hoe kunnen we die weer in lijn brengen met onze doelstellingen?

Denk daarbij aan het analyseren van de randvoorwaarden. Die zijn bepalend voor het al dan niet halen van de strategische doelen. Voer een beknopte stakeholder- en omgevingsanalyse uit. Sommige stakeholders of doelgroepen worden minder relevant, andere of nieuwe stakeholders worden juist belangrijker.

Issues prioriteren

Prioriteer de issues die uit de analyse naar voren komen en bepaal hoe de organisatie hiermee dient om te gaan. Herdefinieer kernboodschappen en argumenten. Koppel er een (aangepaste/vernieuwde) strategische agenda aan vast voor minimaal de resterende periode in kalenderjaar 2022.

Al met al leidt het issuemanagement tot een heroverweging van de doelen van een bedrijf of instelling en dus van de public affairs, lobby en communicatie strategie.

Wanneer zowel de particuliere als de publieke sector tijdig issuemanagement toepast, is Nederland – in tegenstelling tot de eerdere bankencrisis en de corona-pandemie – nu wél (beter) voorbereid op een crisis.

*Beide auteurs zijn partner en senior adviseur bij advieskantoor EPPA, Den Haag

Betrek burgers bij aanpak virus

door Rob Sebes*

Drie toonaangevende organisaties in het publieke bestel hebben inmiddels het dringende advies aan het kabinet gegeven met burgers in gesprek te gaan wanneer zich een volgende pandemie aandient.

Na het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) een dergelijke opinie geuit.

‘Anticipeer in een langdurige landelijke crisis op een daling van het maatschappelijk draagvlak en richt de communicatiestrategie daarop in’, aldus de OVV, die onder meer adviseert: ‘Ga met behulp van lokale partijen stelselmatig in gesprek met burgers om hun zorgen, vragen en behoeften een plek te kunnen geven in het crisis- en communicatiebeleid’.

Doorkijkje

Het kabinet heeft – naast het aankondigen van een sterke en snelle versoepeling van de coronamaatregelen – zelf ook niet stil gezeten. Minister Kuipers van VWS stuurde recentelijk een brief naar de Tweede Kamer over onder meer een ‘doorkijk lange termijn’. Er komt op allerlei terreinen verbetering van de aanpak.

Op een cruciaal punt – de acceptatie en het naleven van virusmaatregelen – schiet het schrijven van de bewindsman tekort. Alsof er geen stevige demonstraties op straat zijn geweest. Alsof de horeca geen actie heeft gevoerd. Alsof Onverdeeld Open niet in hoog tempo grote aantallen handtekeningen heeft verzameld.

De bewindsman stelt dat sociaal-maatschappelijke en economische continuïteit/vitaliteit en de toegankelijkheid van de gehele zorgketen voor iedereen ‘de gelijkwaardige en nevengeschikte’ nieuwe doelen zijn.

Naast allerlei medische en zorg gerelateerde stappen om deze doelen te bereiken, kondigt Kuipers ook een reeks gesprekken aan met sectoren, gemeenten, verschillende doelgroepen in de samenleving en uitvoerende organisaties. Het kabinet ‘hecht eraan om eventuele maatregelen in dialoog met sectoren vorm te geven’.

‘Samen verder, leven met het virus’

Dat zijn winstpunten. Ook wijdt de minister een paragraaf aan communicatie. ‘Samen verder, leven met het virus’ wordt het adagium. Let vooral op de plek waar de komma staat. We gaan samen verder maar moeten leren leven met het virus.

Dat gaat op de lange termijn het leven van iedereen beïnvloeden. Dan zijn acceptatie en het naleven van maatregelen essentieel. Het gaat dan om gedragsverandering en het handhaven van gewenst gedrag. Dat zijn met stip de moeilijkst te bereiken doelen van communicatie.

Ondanks een verschuiving van crisiscommunicatie naar ‘samenlevingscommunicatie’, zoals Kuipers meldt, grijpt het kabinet terug op de klassieke zendingsdrang van de rijksoverheid. Kuipers strooit met open deuren als ‘heldere verwoording, het bieden van toepasbare handelingsperspectieven en gedragsadviezen en het bieden van duidelijke en toegankelijke informatie over de ontwikkeling van het virus’.

Als het daarbij blijft, zullen acceptatie en naleving van virusmaatregelen uit het zicht blijven. Kortom, zoals eerder door ondergetekende betoogd, het kabinet ontkomt er niet aan qua communicatie een strategische keuze te maken die veel verder reikt dan de recente Kamerbrief.

*Rob Sebes, partner en communicatiestrateeg adviesbureau EPPA, Den Haag
Auteur De Woordvoerder, handboek voor een professioneel mediabeleid

Communicatie is sleutel tot pandemische paraatheid

door Rob Sebes*

Na twee corona-persconferenties met de nieuwe minister van VWS is het moment aangebroken om de vraag te stellen: hoe gaan we in ons land op de lange termijn verder met de communicatie over coronamaatregelen?

Eerst nog even het nieuwe jasje van de persconferentie. De inleidingen van de bewindslieden zijn korter en duidelijker geworden. Zij gebruiken minder jargon en (bombastische) beeldspraak. Er worden sheets vertoond, waarop qua duidelijkheid nog wel een en ander valt af te dingen, en verder zijn er een paar subtiele visuele verschillen met de ‘oude’ persconferenties.

Ook kwam helder naar voren dat alle aangekondigde maatregelen zes weken gelden. Dit vergroot in elk geval de voorspelbaarheid voor ondernemers en publiek. Minister Kuipers kreeg bij zijn tweede corona-persconferentie terecht als eerste het woord onder toeziend oog van premier Rutte.

Nader onderzoek zal moeten uitwijzen hoe dit alles bij het publiek overkomt. Begrijpen de kijkers het beter en nog belangrijker: nemen zij de oproepen van beide bewindslieden ter harte? Ofwel, blijven of gaan zij zich gedragen naar de nog altijd geldende regels?

Belangrijk daarbij is te beseffen dat de persconferentie, in welke vorm en hoe belangrijk dan ook – alleen al door de kijkcijfers – slechts een deel van de totale communicatie over coronamaatregelen is.

Rollebollend over straat

De medisch deskundigen die soms rollebollend over de (virtuele) straat gaan, lijken het eens te zijn dat we voor de lange termijn rekening moeten houden met nieuwe vormen van coronabesmettingen. Ook al worden mensen dankzij vaccinaties, testen en maatregelen wellicht minder snel of minder ernstig ziek, varianten van corona of andere virussen zullen niet meer weg te denken zijn uit de samenleving.

Het nieuwe kabinet beseft dat ook, getuige de passage in het regeerakkoord over de ‘coronacrisis’: ‘Wij gebruiken de lessen uit de coronacrisis, zoals het belang van samenwerking, ontschotting en nieuwe (digitale) werkvormen, en maken ons land klaar voor toekomstige gezondheidscrises door versterking van de pandemische paraatheid’. Hier geen woord over de lessen die tot nu toe uit de communicatie kunnen worden getrokken. Sterker, een (beknopte) visie op de communicatie over ‘pandemische paraatheid’ ontbreekt.

Terwijl communicatie juist de sleutel is tot het gereed maken én motiveren van de samenleving. Zodat we klaar zijn vóór en goed kunnen omgaan mét de pandemische paraatheid. De ervaring van bijna twee jaar communicatie over corona is, in de wetenschap dat talloze communicatieadviseurs zich bovenmatig, vakkundig en loyaal hebben ingespannen, dat de rijksoverheid vooral aan het zenden is geweest.

De klassieke uitgangspunten dat communicatie tweerichting verkeer is, dat er een dialoog met de doelgroepen moet worden aangegaan, dat ideeën uit en ervaringen van de doelgroepen verrassend nuttig en bruikbaar kunnen zijn, ontbraken grotendeels. Dat heeft, mede door de kracht van social media, opposanten van de coronamaatregelen gelegenheid geboden zich de manifesteren.

Terug naar de in de eerste alinea gestelde vraag: hoe gaan we in ons land op de lange termijn verder met de communicatie over coronamaatregelen? Voor het leesgemak laat we de situatie in het buitenland buiten beschouwing, hoewel is gebleken dat die wel degelijk van invloed is op de algemene opinie over coronamaatregelen in ons land.

Zonder tweerichting verkeer, zonder dialoog en dus zonder de ondernemers en burgers serieus te nemen, kan er misschien medisch-technisch wel een pandemische paraatheid ontstaan. Maar de vraag is of dat maatschappelijk wordt geaccepteerd.

Stop louter ‘zenden’

Andersom gezegd: het nieuwe kabinet moet afstappen van het ‘zenden’. Er moet een strategische keuze worden gemaakt om de samenleving te betrekken. Dat kan door veel nauwer samen te werken met maatschappelijke organisaties, bedrijven en ondernemers, de culturele sector, de evenementenbranche, de zorgsector, het onderwijs, sportverenigingen, decentrale overheden en ga zo maar door.

Ook moet het kabinet niet schromen de dialoog te zoeken met individuele burgers, met huishoudens, gezinnen, jongeren. Draagvlak creëren, het gewenste gedrag stimuleren. Tegelijkertijd duidelijk aangeven dat je het niet iedereen naar de zin kunt maken. In het besef dat er altijd opposanten zullen zijn.

De genoemde passage in het regeerakkoord over de coronacrisis meldt ook nog dat het kabinet overweegt een Chief Medical Officer aan te trekken die ‘kan bijdragen aan betere publieke zorg’. Suggestie: stel dan ook een Chief Communications Officer aan. Geef deze twee ‘Çhiefs’ – die uiteraard nauw met elkaar samenwerken – voldoende budget, menskracht, middelen en bevoegdheden om de pandemische paraatheid echt te bewerkstelligen.

De Chiefs pakken er dan natuurlijk ook het recente advies over coronabeleid van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) aan het kabinet bij waarin onder meer staat: ‘Redeneer vanuit mensen; zet kwaliteit van leven van burgers centraal en houd meer rekening met hun situatie’.

 

*Partner en communicatiestrateeg adviesbureau EPPA, Den Haag