Heeft de belangenbehartiger op defensie eigenlijk nog wel iets te doen? 

Door Tjeerd Ritmeester

Als je met een afstandje naar Den Haag kijkt, zou je bijna denken van niet. De budgetten groeien stevig, de politieke urgentie is er, en iedereen lijkt het erover eens dat er opgeschaald moet worden. Voor bedrijven voelt het soms alsof het geld voor het oprapen ligt. 

Maar in de praktijk begint het daar pas, want geld op de begroting is nog geen getekende opdracht. En Nederland komt van ver. Jarenlange afbouw heeft niet alleen gaten geslagen in de krijgsmacht zelf, maar ook in het industriële ecosysteem eromheen. Bedrijven willen best investeren en opschalen, maar hebben daarvoor wel zekerheid nodig. Financiers willen meebewegen, maar pas als er zicht is op orders. En Defensie wil inkopen, maar alleen als leveringszekerheid echt geborgd is. 

En zo zit je al snel in een klassieke patstelling: zonder order geen investering, zonder investering geen order. 

Precies in dat soort spanningsvelden zit het werk (en de kracht) van de belangenbehartiger. Niet meer als iemand die simpelweg “de weg weet in Den Haag”, maar steeds vaker als iemand die verschillende werelden met elkaar moet laten samenwerken.  

  • Tussen Defensie, Economische Zaken en Infrastructuur & Waterstaat 
  • Tussen begrotingsregels en de realiteit van bedrijven die vandaag beslissingen moeten nemen.  
  • Tussen nationale ambities en wat er regionaal überhaupt mogelijk is qua ruimte, mensen en infrastructuur. 

Opschalen in de defensie-industrie gaat allang niet meer alleen over defensie, maar over vergunningen, over stikstof en ruimte, over arbeidsmarkt, over financiering – en over de vraag of middelen ook daadwerkelijk op tijd en flexibel genoeg ingezet kunnen worden. Op papier kan alles kloppen, en toch kan het systeem in de praktijk vastlopen. 

Daar moet iemand tussen zitten die die knelpunten vroeg ziet aankomen en ze ook politiek weet te agenderen. 

En dan is er nog een andere laag die vaak wordt onderschat: communicatie. Defensie blijft een gevoelig dossier, waarin publieke opinie, mediaframes en maatschappelijke weerstand direct invloed hebben op wat er politiek en bestuurlijk gebeurt. Dan helpt het niet om pas na te denken over je verhaal als het spannend wordt; dat moet je vooraf scherp hebben. 

De belangenbehartiger op dit dossier loopt dus (helaas!) niet rond met een catalogus waar miljarden klaarliggen. Onze echte rol is een stuk ingewikkelder, maar ook een stuk interessanter: zorgen dat beleid, industrie en overheid niet alleen dezelfde kant op willen, maar ook op hetzelfde moment in beweging komen. 

Opschalen vraagt om risicodeling: waarom de Nederlandse defensie-industrie nog niet op stoom komt 

Door Tjeerd Ritmeester

Recent was ik op een bijeenkomst van Nederlandse defensiebedrijven, georganiseerd door de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV). Middels een simpele hand-op-steek-vraag werd in een keer het probleem van de Nederlandse defensie-industrie duidelijk zichtbaar gemaakt.

De moderator vroeg aan de zaal wie nog niet levert aan de Nederlandse overheid. Het merendeel van de aanwezigen stak de hand op. Daarna vroeg de moderator wie dat wél graag zou willen. Diezelfde groep aanwezigen hield de hand omhoog.

De Nederlandse overheid heeft de ambitie om de defensiecapaciteit versneld op te schalen. En die overheid heeft zichzelf ten doel gesteld 40 tot 60 procent van de defensie-uitgaven bij Nederlandse bedrijven te doen. Dat is niet alleen economisch aantrekkelijk, maar vooral ook strategisch noodzakelijk.

Maar: waarom lukt dat dan nog niet?

Er is geen gebrek aan geld

Het probleem is niet het gebrek aan geld. In het coalitieakkoord wordt ingezet op een forse intensivering van defensie-uitgaven, oplopend tot circa 19 miljard euro extrastructureel. Daarmee groeit het defensiebudget in korte tijd richting een historisch hoog niveau.

De kloof tussen ambitie en realisatie is daarom geen kwestie van onwil, maar van uitdagingen in het huidige systeem. Drie knelpunten springen eruit.

1. Financiering en risico zijn uit balans

Een defensiebedrijf dat wil opschalen moet substantiële voorinvesteringen doen: denk aan productiecapaciteit, personeel en certificering. Die investeringen moeten vaak worden gedaan vóórdat er zekerheid is over afname.

Voor financierders is dat een lastige situatie. Banken zijn terughoudend zolang contracten niet definitief zijn. Ook constructies met voorfinanciering door de Nederlandse overheid bieden in de praktijk niet altijd verlichting, bijvoorbeeld wanneer daar bankgaranties tegenover staan die de liquiditeitsruimte van bedrijven beperken.

Het gevolg is dat bedrijven wel wíllen investeren, maar financiering niet rond krijgen.

2. Geld blijft steken in de keten

Verderop in de keten ontstaat een tweede knelpunt. Grote defensiebedrijven en hoofdaannemers beschikken over goed gevulde orderboeken, maar zij hanteren vaak lange betalingstermijnen richting hun toeleveranciers.

Daardoor blijft geld ‘hangen’ in de keten. En kleinere bedrijven, die juist moeten opschalen om aan de vraag te voldoen, komen hierdoor onder druk te staan.

3. Innovatieve bedrijven vallen buiten de boot

De Nederlandse kracht ligt in innovatieve technologie zoals drones, radars, slimme materialen en andere dual-use technologieën. In deze domeinen opereren veel startups en scale-ups.

Juist deze bedrijven heeft moeite om toegang te krijgen tot financiering en contracten. Hun risicoprofiel sluit onvoldoende aan bij bestaande financieringsmiddelen, terwijl hun technologie essentieel is voor Defensie van morgen.

Strategische implicaties

Deze knelpunten raken aan een fundamentele vraag: waar willen we als Nederland en Europa (strategisch) autonoom in zijn?

Wanneer kennis en technologie in Nederland worden ontwikkeld, maar opschaling elders plaatsvindt, verliest Nederland niet alleen economische waarde. Ook controle over productie, doorontwikkeling en toepassing verschuift naar andere landen.

Dit ondermijnt de beoogde strategische weerbaarheid. In plaats van het opbouwen van een eigen industriële basis, ontstaat het risico dat Nederland vooral bijdraagt aan de versterking van ecosystemen elders.

De rol van de Nederlandse overheid: van opdrachtgever naar risicopartner

De huidige situatie vraagt om een andere rol van de overheid. Niet alleen als opdrachtgever, maar als actieve partner in het ontwikkelen van industriële capaciteit.

Dat betekent in de kern het beter organiseren van risico.

Concrete aangrijpingspunten zijn:

  • Risicodeling in de financieringsfase
    Door garanties, co-investeringen of aangepaste financieringsinstrumenten kan de overheid private investeringen los trekken.
  • Verbetering van betalingsstructuren in de keten
    Snellere en eerlijkere betalingstermijnen kunnen liquiditeit vrijmaken waar die het hardst nodig is.
  • Gerichte ondersteuning van startups en scale-ups
    Innovatieve bedrijven vragen om andere instrumenten dan gevestigde spelers. Hier ligt een kans om de toekomstige technologische basis te versterken.
  • Strategische focus
    Zoals ook breder wordt benadrukt in onder meer het Rapport Wennink: keuzes zijn nodig. Niet alles kan, maar wat we kiezen moet consequent worden ondersteund, ook financieel.

Conclusie

De ambitie om de Nederlandse defensie-industrie op te schalen is helder en breed gedragen. Bedrijven zijn bereid om te investeren en samen te werken. De geopolitieke noodzaak is evident.

Maar zonder een systeem dat risico’s beter verdeelt, en een Nederlandse overheid die daarin de lead neemt, blijft die ambitie steken in potentie.

Opschaling vraagt niet alleen om geld, maar om de bereidheid om risico te organiseren en te delen. Zonder die stap blijft strategische autonomie buiten bereik.

Saai bestaat niet in een miljardenstrijd

De nieuwe minister van Infrastructuur en Waterstaat, Vincent Karremans, zei het enkele dagen voor zijn beëdiging: “Infrastructuur klinkt misschien saai, maar is hartstikke belangrijk. Infrastructuur is de basis onder onze economie.” 

Daarmee is infrastructuur ook politiek gezien, allesbehalve saai. 

Twee concurrerende prioriteiten, één pot met geld 

Twee grote opgaven concurreren namelijk om dezelfde middelen: 

  1. Onderhoud en vervanging van bestaande infrastructuur 

Wegen, bruggen, waterkeringen en spoorlijnen halen zelden de voorpagina, totdat het misgaat. Bruggen die sluiten, wegen die verzakken of treinen die uitvallen leggen het dagelijkse leven stil. Vertragingen leiden jaarlijks tot €1,3 tot €1,6 miljard aan economische schade (bron: Rijkswaterstaat). Daarmee is infrastructuur een economisch vraagstuk

  1. Nieuwe infrastructuur voor regionale bereikbaarheid 

Nieuwe spoorlijnen, bruggen of sluizen zijn zichtbaar, hebben een symbolische waarde en zijn daarom aantrekkelijk voor politici die hun stempel willen drukken.  

Bovendien: de bereikbaarheid van regio’s staat hoog op de politieke agenda. De discussies binnen het kabinet-Schoof over de Lelylijn en de Nedersaksenlijn laten zien dat investeringen in nieuwe verbindingen direct raken aan regionale ontwikkeling, woningbouw, economische groei en electorale belangen. 

Waar liggen je kansen als belangenbehartiger? 

Beide zijn urgent. Maar er is slechts één pot geld waaruit dit wordt bekostigd: het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). 

Het MIRT is het gezamenlijke investeringsprogramma van Rijk en regio voor infrastructuur, ruimte en water. De projecten binnen dit investeringsprogramma doorlopen vaste fasen, lopend van verkenning tot realisatie, met formele beslismomenten. Wie invloed wil uitoefenen, moet weten in welke fase een project zit, en wélk besluit wánneer valt. 

  1. Begrijp het speelveld: het MIRT is co-creatie 

De besluitvorming binnen het MIRT is nadrukkelijk een samenspel: het Rijk (vertegenwoordigd door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) werkt samen met provincies, gemeenten, vervoerregio’s en waterschappen in de Bestuurlijke Overleggen MIRT. Dit betekent dat belangenbehartigers zich niet enkel moeten richten op Den Haag.  

Daarnaast kunnen maatschappelijke organisaties, marktpartijen en kennisinstellingen worden betrokken, met name in de verkenningsfase. 

  1. Ken de parlementaire momenten en de minder zichtbare kansen 

De Tweede Kamer heeft budgetrecht en kan prioriteiten verleggen. Het jaarlijkse Commissiedebat MIRT (meestal in juli) is één van de zichtbare momenten waarop Kamerleden hun accenten leggen, samen met begrotingsbehandelingen. 

Maar wie alleen daarop inzet, mist kansen. Er zijn genoeg andere commissiedebatten waar dit onderwerp aanbod komt, bijvoorbeeld de commissiedebatten over spoorruimtelijke ordeningstaat van de infrastructuurstrategische keuzes bereikbaarheid en woningbouw en mobiliteit

Is infrastructuur een saai onderwerp? Absoluut niet. Saai bestaat niet in een miljardenstrijd. 

Het is een politiek geladen verdelingsvraagstuk waarin miljarden worden verdeeld, regio’s tegen elkaar worden afgewogen en politici ondertussen strijden om een politiek nalatenschap. 

Heeft u vragen over de prioritering tussen onderhoud en nieuwe infrastructuur of de besluitvorming binnen het MIRT? EPPA denkt graag met u mee. Neem hier contact op met EPPA. 

Het Belastingplan: alleen voor de politieke fijnproever?

Dit jaar bespreekt de Tweede Kamer het volledige Belastingplan binnen slechts twee weken. Na twee wetgevingsoverleggen, twee debatten en een stemming, moet er een nieuw pakket aan belastingmaatregelen liggen. Maatregelen die direct voelbaar zijn voor burgers én bedrijven.

Toch vindt de behandeling dit jaar opvallend genoeg in relatieve stilte plaats. Wie vluchtig luistert, hoort al snel waarom: het Belastingplan is weinig mediageniek. Maar wie langer luistert, merkt dat er méér op tafel ligt dan technische belastingwijzigingen: de debatten gaan over klassieke politieke keuzes rond herverdeling en beprijzing, over de vraag wat politiek wenselijk is en wat in de praktijk haalbaar blijkt, en over de maatschappelijke gevolgen van al die besluiten.

Nieuwe Tweede Kamer, wat zijn de prioriteiten?

De behandeling van het Belastingplan is dit jaar extra interessant, omdat het de eerste grote debatten van de nieuwe Tweede Kamer zijn. Onder de fiscale woordvoerders schuiven twee nieuwe Kamerleden aan: Michiel Hoogeveen (JA21) en Henk-Jan Oosterhuis (D66). Hun optreden laat meteen zien hoe de verhoudingen liggen, zeker met de recente verkiezingsuitslag en lopende formatie in het achterhoofd.

Partijen benutten het Belastingplan om hun klassieke verschillen te benadrukken. Belasten we inkomen of vermogen? Kiezen we voor een snelle lastenverlichting voor iedereen, zoals via de brandstofaccijns? Of richten we voordelen juist op specifieke groepen, zoals via lagere motorrijtuigenbelasting voor elektrische auto’s, om daarmee gedrag te sturen? Dit kan natuurlijk voor verdeeldheid binnen de Kamer zorgen, helemaal omdat het nu nog zittende kabinet demissionair is, en maar op 26 zetels kan rekenen – hoewel zelfs dat geen gegeven is.

Zo deed zich de opmerkelijke situatie voor dat staatssecretaris Heijnen van de BBB een voorstel heeft gedaan in het pakket Belastingplan dat geen steun heeft van de eigen fractie in de Tweede Kamer. Het gaat om de pseudo-eindheffing voor werkgevers op brandstofauto’s. Dit houdt in dat een werkgever extra belasting betaalt op leaseauto’s die niet volledig uitstootvrij zijn. Tweede Kamerlid Henk Vermeer van de BBB heeft zelfs een amendement ingediend om de invoering van deze pseudo-eindheffing terug te draaien. Dat de staatssecretaris niet eens op steun van de eigen partij kan rekenen, maakt de uitkomst van de behandeling van het Belastingplan onvoorspelbaarder dan het normaal gesproken al is.

Voor belangenbehartigers reden genoeg om deze twee weken op te letten. Waar leggen de politici hun prioriteiten?

De grenzen van het Nederlandse belastingstelsel

Belastingen zijn voor politici een van de belangrijkste instrumenten: je kunt ermee herverdelen én gedrag beïnvloeden. Maar het huidige stelsel kent duidelijke grenzen.

Een veelgehoorde wens is vereenvoudiging. Tegelijkertijd leidt elke nieuwe maatregel juist tot meer complexiteit en vergroot die de druk op de Belastingdienst en haar ICT-capaciteit. Zo loopt CDA-Kamerlid Inge van Dijk aan tegen de beperkingen rond tariefdifferentiatie in de kansspelbelasting voor goede doelen en sportverenigingen. Het kabinet vindt dit te complex, maar past tegelijkertijd wel differentiatie toe in de vliegbelasting. Deze is volgens hen technisch eenvoudiger. Dit vermeende onderscheid roept vragen op.

Daarnaast kun je gedrag niet eindeloos blijven sturen met belastingen. De zogenoemde ‘Laffercurve’ kwam opnieuw ter sprake: hoe hoger je belast, hoe groter de kans dat opbrengsten van de belasting uiteindelijk dalen, bijvoorbeeld omdat mensen uitwijken naar het buitenland of de belaste producten niet meer aanschaffen. Daarmee is het gedragsdoel bereikt, maar verdwijnt de opbrengst uit de schatkist. Dit zorgt elders voor hogere belastingen of bezuinigingen. Dit is dit jaar onder meer actueel bij discussies over brandstofaccijnzen en de recent fors verhoogde kansspelbelasting.

Wat betekent dit voor de belangenbehartiger?

Het is allesbehalve zeker dat alle voorgestelde maatregelen uit het Belastingplan overeind blijven. Met slechts 26 zetels moet het nog zittende, demissionaire romp-kabinet Schoof-I op zoek naar wisselende meerderheden en waar nodig compromissen. Last-minute amendementen liggen daarmee opnieuw in het verschiet.

Juist daarom speelt de belangenbehartiger een cruciale rol: duidelijk maken wat de maatschappelijke impact van wijzigingen is, en voorkomen dat er in de haast ongelukken ontstaan. Dat betekent niet alleen een intensieve periode voor de fiscale woordvoerders in de Tweede Kamer, maar ook voor de belangenbehartiger.

Europese Commissie zet koers naar meer strategische autonomie in werkprogramma 2026 

Vorige week presenteerde de Europese Commissie haar Europees werkprogramma 2026. De titel – Europe’s Independence Moment – laat weinig aan de verbeelding over: het komende jaar staat in het teken van Europese zelfstandigheid en strategische autonomie. 

In het werkprogramma zet de Commissie haar plannen en prioriteiten uiteen: van eenvoudiger regelgeving voor het mkb tot nieuwe wetgeving rond cloudtechnologie en kunstmatige intelligentie. De voorstellen passen binnen één overkoepelende ambitie: een Europa dat minder afhankelijk wil zijn van anderen. 

De Europese beleidsagenda heeft directe invloed op de Nederlandse wet- en regelgeving; een groot deel van onze nationale regels vindt immers zijn oorsprong in Europese besluiten. Voor public affairs-professionals is het daarom aan te raden om tijdig aan te haken bij de Brusselse agenda. 

EPPA belicht de belangrijkste thema’s uit het nieuwe werkprogramma. 

Concurrentievermogen 
De Europese Commissie wil de basis van de Europese industrie versterken voor een concurrerender en aantrekkelijker Europa. Dit moet onder meer gebeuren via de European Innovation Act, die innovatie en technologische ontwikkeling stimuleert. Ook wordt regelgeving vereenvoudigd voor het mkb om het ondernemersklimaat te verbeteren. 

Digitale ontwikkelingen 
Op digitaal vlak zet de Commissie in op technologische soevereiniteit met de Cloud and AI Development Act. Daarnaast volgt in het vierde kwartaal van 2026 de Digital Fairness Act, bedoeld om consumenten beter te beschermen tegen manipulatieve praktijken online. Ook komt er een actieplan tegen cyberpesten, gericht op de bescherming van jongeren. 

Defensie en veiligheid 
In reactie op het huidige geopolitieke klimaat wil de Commissie meer investeren in Europese defensiecapaciteit. Er komt extra aandacht voor de ontwikkeling van een Europese defensie-industrie en de verdere uitwerking van het Europees initiatief voor droneverdediging. 

Sociale zaken 
Om de dagelijkse uitdagingen van Europese gezinnen aan te pakken, kondigt de Commissie een reeks maatregelen aan op het gebied van betaalbaarheid en de kosten van levensonderhoud. Zo komt er een Wet op Kwaliteitsbanen en een pakket Eerlijke Arbeidsmobiliteit, inclusief een initiatief voor vaardigheidsmobiliteit dat kwalificaties beter overdraagbaar maakt binnen de EU. 

Daarnaast wil de Commissie de grondoorzaken van armoede en de woningcrisis aanpakken. Het werkprogramma kondigt hiervoor de eerste EU-strategie tegen armoede aan. Bovendien zal het Europees plan voor betaalbare huisvesting publieke steun stimuleren en particuliere investeringen aanmoedigen om betaalbare en duurzame huisvesting te bevorderen. 

Heeft u vragen over het werkprogramma van de Europese Commissie? EPPA helpt u graag verder

De economie van morgen: wie durft een stip op de horizon te zetten?

Collega Tjeerd Ritmeester is gespecialiseerd in economische veiligheid en schrijft regelmatig over strategische autonomie. Vandaag analyseert hij de verkiezingsprogramma’s: hoe gaan de partijen met dit thema om? Lees meer over Tjeerd hier.

Economische veiligheid is dan geen prikkelende term, het is wel een grote uitdaging. Grondstoffen worden schaarser. De wereld is onrustig. Europa en Nederland zijn steeds afhankelijker van anderen. Weerbaarheid is nodig. Het gaat om banen, welvaart en veiligheid. Hoe staat Nederland ervoor en wat willen de partijen richting de Tweede Kamerverkiezingen?

Draghi-rapport

Het invloedrijke Draghi-rapport, in september 2024 gepubliceerd in opdracht van de Europese Commissie, was hier duidelijk over. Europa moet zijn koers wijzigen om concurrerend en weerbaar te blijven. Dat vraagt om investeringen, hervormingen en een duidelijke economische visie, anders dreigt de EU structureel minder welvarend, innovatief en invloedrijk te worden.

Erkenning

Speurend door de verschillende verkiezingsprogramma´s is het opvallend dat economische weerbaarheid en strategische autonomie gangbare termen zijn geworden. De meeste partijen zijn zich ervan bewust dat de wereld verandert. Een open economie is in het huidige klimaat niet meer zonder risico´s.

De meeste partijen stellen dan ook dat de overheid nadrukkelijker richting moet geven aan de economie. Dat zij vitale sectoren moet beschermen en sleutelindustrieën moet stimuleren. Voor sommige partijen is dit een cultuuromslag, al legt elke partij haar eigen nadruk hierop. De VVD spreekt bijvoorbeeld van ‘vrijhandel met spierballen’.

Hoe ver gaan we?

Het verschil tussen partijen zit hem uiteindelijk in hoe sturend men wil zijn, en op welke onderwerpen. Partijen zoals de VVD, CDA, en NSC zijn sneller bereid vanuit strategisch belang beschermende maatregelen te nemen zoals screening, exportcontroles, en beschermen van vitale infrastructuur. Tegelijkertijd zijn het deze partijen die vrijhandel ook als een instrument blijven zien om de weerbaarheid te vergroten.

GroenLinks-PvdA erkent het belang van bescherming maar legt de nadruk op investeringen om de economie de juiste richting te geven, onder meer via een nationale investeringsbank en steun voor sleutelregio’s zoals Eindhoven. Vrijhandel wordt tot bepaalde hoogte als risico gezien om sociale en groene ambities nationaal en internationaal waar te maken, bijvoorbeeld in de vorm van vrijhandelsakkoorden, een lijn die wordt gesteund door SP en PvdD.

Vrijwel alle partijen benadrukken het belang van Europese samenwerking om ook de Nederlandse weerbaarheid te vergroten. De VVD wil de Europese productiecapaciteit vergroten terwijl D66 door middel van Europese instrumenten het monopolie van Big Tech wil doorbreken. “Made in Europe” is voor GroenLinks-PvdA weer een sleutelbegrip. Partijen zoals JA21 en PVV zijn uitzonderingen hier en kiezen voor binnenlandse productie, zelfvoorzienend zijn en nationale defensieve belangen.

Stip op de horizon

In de verkiezingsprogramma’s wordt aandacht besteed aan economische weerbaarheid, maar vaak als afzonderlijk thema. Het wordt niet altijd gepresenteerd als een overkoepelend uitgangspunt. Economische weerbaarheid raakt echter de vraag hoe de economie van morgen eruit moet zien en hoe die kan worden beschermd. In veel programma’s ligt de nadruk op keuzes tussen beschermen of stimuleren, terwijl een langere termijnvisie minder zichtbaar is.

Hoe moet de Nederlandse economie er over twintig jaar uitzien en welke keuzes maken we daarvoor? Deze vragen blijven voor nu onbeantwoord. Met de beperkte ruimte in ons land kunnen we niet alles tegelijk en zonder duidelijke prioriteiten zullen sommige sectoren, bedrijven en Nederlanders achteropraken.

Realisatiekracht

Dit betekent ook dat er nog onvoldoende wordt nagedacht hoe de overheid zich moet verhouden tot deze nieuwe realiteit. Zoals gezegd kiezen sommige partijen ervoor te investeren in sleutelregio´s zoals Eindhoven. Maar wat betekent dat en hoe deel je het succes van Eindhoven weer met andere regio´s? Ligt er dan niet te veel druk op een enkele regio?

Vaak is het probleem niet geld. Het gaat om realisatiekracht. Denk aan het gebrek aan woningen, publieke voorzieningen, en gekwalificeerd personeel. Deze problemen vragen om een overheid die sneller en effectiever ambities kan realiseren. Oftewel, als we de realisatiekracht van Nederland willen vergroten zal ook de overheid anders moeten werken. Die keuzes lijken nu nog niet gemaakt te worden.

Internationale visie

Ten slotte vraagt dit thema ook internationaal om strategische visie. Economische veiligheid kan alleen worden gegarandeerd als zij goed aansluit op wat in andere landen gebeurt, bijvoorbeeld de veilige aanvoerlijnen van grondstoffen. Tegelijkertijd moet duidelijk zijn hoe we ons positioneren tegenover bondgenoten en rivalen, van de Verenigde Staten tot China. In de verkiezingsprogramma´s zien we wel verwijzingen naar onze plek in de wereld, maar blijft het vaag.

Kortom, de programma´s van de meeste politieke partijen laten goed zien dat Nederland en Europa op een keerpunt staan. Economische veiligheid is steeds meer de hoeksteen van onze politieke keuzes. Partijen bewegen in toenemende mate die kant op. Toch blijven de echt grote en scherpe keuzes nog uit. Met de urgentie van het Draghi-rapport in het achterhoofd geeft dat te denken.

Blijf scherp: de gemeenteraadsverkiezingen komen er óók aan 

Stemlokaal

Met alle recent ‘ontstane politieke situaties’ rondom het kabinet-Schoof-1 zou men het bijna vergeten: de gemeenteraadsverkiezingen komen er ook aan. Op woensdag 28 maart 2026 mag Nederland daarvoor naar de stembus. Maar hoewel er op landelijk niveau altijd druk wordt gelobbyd rondom de Tweede Kamerverkiezingen, blijft belangenbehartiging op lokaal niveau een ondergeschoven kindje.  

Waarom gemeenten belangrijk zijn 

Dat is onterecht, want gemeenten gaan over veel zaken die burgers, bedrijven en organisaties direct raken. De afgelopen jaren heeft Het Rijk meer taken overgeheveld naar het lokaal niveau, bijvoorbeeld met de decentralisatie van het sociaal domein in 2015. En voor veel maatschappelijke vraagstukken is de gemeente gewoonweg een onmisbare schakel: denk aan lokale warmtenetten om de netcongestie op te lossen, aan lokale woningbouw tegen de wooncrisis, opvang van asielzoekers in AZC’s, en nog veel meer.  

Maar ook binnen hun eigen bevoegdheden zijn gemeenten invloedrijk: de gemeente heeft onder andere belangrijke zorgtaken, bepaalt toerismebeleid en de lokale gastvrijheids-economie, maakt bestemmingsplannen, stelt regels op voor reclame in de openbare ruimte en maakt bijvoorbeeld ook veel van het lokale veiligheidsbeleid.  

Daarnaast zijn vooral grote gemeenten vaak een proeftuin voor de uitrol van allerlei nieuwe technische innovaties en bedrijfsmodellen, zoals de opgekomen platform- en deeleconomie. Denk aan flits- en maaltijdbezorgers, deelmobiliteit, Uber en Airbnb. Omdat landelijke en Europese wet- en regelgeving vaak achterlopen op technologische innovaties, hebben gemeenten ook hier hun handen vol aan. 

En: gemeenteraadsverkiezingen zijn meestal ook een belangrijke graadmeter voor de landelijke partijen. Wanneer de gemeenteraadsverkiezingen zo ongeveer middenin een kabinetsperiode vallen, zien landelijke politici het als een soort peiling van hoe de huidige coalitie het doet. In maart 2026 zijn de landelijke partijen misschien net klaar met formeren – en dus kunnen deze verkiezingen een indruk geven van hoe het gevormde kabinet gezien wordt.  

Oftewel: de gemeenteraadsverkiezingen zijn belangrijk en zouden uw aandacht moeten hebben als bedrijf, organisatie of burger. Het is daarom verstandig om tijdig – nu dus – te investeren in hun public affairs- en stakeholderbeleid, en informatie en aanbevelingen vanuit het veld aan te reiken aan politieke partijen.  

Hoe doet u dat, de gemeentepolitiek benaderen?   

Dit is het moment waarop lokale politieke partijen druk bezig zijn om hun verkiezingsprogramma’s te schrijven. Probeer hier invloed op uit te oefenen door analyses en aanbevelingen te delen met de verkiezingsprogrammacommissies van de lokale politieke partijen. Stuur ze een position paper, of nodig ze uit voor een werkbezoek.  

Verder is het een prima idee om rondom een bepaald onderwerp of een sector een verkiezingsdebat te organiseren. Op lokaal niveau is dat vaak sneller geregeld dan landelijk: voor de locatie is de plaatselijke horeca vaak bereid een zaaltje ter beschikking te stellen, en er zijn lokaal genoeg printers, drukkers en mediabedrijven om promotiemiddelen te maken.  

Maar ook na de verkiezingen zijn er nog genoeg mogelijkheden. Een coalitie- of raadsakkoord geeft een algemene richting aan – maar de uitvoering is niet altijd even precies. Een College van Burgemeester en Wethouders dat net is begonnen, wil vaak snel resultaten en successen laten zien – een ideaal moment dus om een gesprek aan te vragen, of een werkbezoek te organiseren. Na 2026-2027 zullen veel voornemens van gemeentebesturen geconcretiseerd zijn, voorzien zijn van details en de wijze van uitvoering. De jaren 2028 en 2029 staan dan ook vooral in het teken van de uitvoering van het beleid dat nu vastgesteld wordt. Dit biedt aanmerkelijk minder beïnvloedingsruimte. 

Vergeet niet: politici en ambtenaren hebben belang bij contact met stakeholders 

Onthoud ook dat politici en ambtenaren belang hebben bij contact met stakeholders. De maatschappij heeft gerechtvaardigde belangen, en politici en ambtenaren zijn constant op zoek naar relevante en actuele informatie en vooral: naar draagvlak. Een goede public-affairs campagne draagt daaraan bij, bijvoorbeeld door de juiste informatie tijdig te delen. Raadsleden krijgen immers niet veel ondersteuning, en voor velen is het raadslidmaatschap een ‘bijbaan’ naast het ‘gewone’ werk.  

Voor ambtenaren geldt hetzelfde: de kwaliteit en het draagvlak voor voorstellen worden vergroot door kennis te hebben van alle achterliggende belangen – en dus ook het standpunt van uw organisatie of sector. Probeer 2025 tot 2027 dan ook te benutten om in contact te komen met vertegenwoordigers van politieke partijen, gebruik uw netwerk, informeer betrokkenen over de ambities van uw organisatie en tracht bij hen aan tafel te komen. Vraag niet direct om meer geld en praat niet alleen over eigen belang.Vraag hen uit zich uit te spreken over de doelen die ze willen realiseren. Denk mee in realistische alternatieven en oplossingen. Help hen bij het maken van keuzen. Laat zien dat u meedenkt. In de ideale situatie brengt u verschillende belangen bij elkaar en ontstaat er een win-win-situatie. 

Een zomer bij EPPA

Door Yonne Hofman

De afgelopen zomermaanden liep ik met veel plezier stage bij EPPA in Den Haag. Van tevoren had ik een globaal beeld van wat Public Affairs en lobbyen inhielden, maar tijdens deze stage ontdekte ik verrassende dimensies aan het vak.

Al in de eerste week viel het me op hoe belangrijk details zijn binnen Public Affairs – denk aan woordkeuzes in een uitnodiging of een andere tekst. Hoewel ik al zorgvuldig formuleerde, heb ik dankzij de feedback van collega’s nog veel kunnen bijleren, hun tips hielpen me om mijn taalgebruik verder aan te scherpen.

Een ander aspect dat veel indruk op me maakte, was de rol van een Public Affairs-consultant in complexe onderhandelingsgesprekken tussen verschillende partijen. Het is een kunst om in zulke situaties behendig te navigeren, en ik vond het ontzettend leerzaam om mijn collega’s dat te zien doen.

Tijdens mijn stage werkte ik aan uiteenlopende opdrachten. Mijn belangrijkste project was het ondersteunen in de organisatie van een congres. Dat hield onder andere in: het schrijven van briefings en uitnodigingen, het regelen van sprekers en het vinden van een geschikte locatie.

Daarnaast ondersteunde ik mijn collega’s in hun werkzaamheden voor verschillende opdrachtgevers. Zo hielp ik bij het voorbereiden van dossiers voor klantgesprekken, maakte ik notulen tijdens vergaderingen en las ik partijprogramma’s door met het oog op specifieke klanten.

In aanloop naar de vervroegde Tweede Kamerverkiezingen mocht ik bovendien helpen met het verzamelen van politieke informatie voor de EPPA Verkiezingswijzer. Dat vond ik ontzettend leuk en leerzaam om te doen. Deze taken gaven me niet alleen waardevol inzicht in het werkveld, maar boden ook de kans om concreet bij te dragen aan het werk van EPPA.

De brede variatie aan klanten en expertises binnen EPPA vormde een ideale leeromgeving. Ik dook in sectoren als digitalisering, technologie en de maakindustrie – gebieden die niet direct mijn achtergrond zijn, maar juist daarom extra interessant bleken. Hoewel ik even moest zoeken naar mijn plek, vond ik die al snel dankzij de goede begeleiding en het vertrouwen dat ik vanaf dag één kreeg. Die zelfstandigheid werkte ontzettend motiverend.

Nota bene mocht ik in mijn eerste week meteen mee naar twee events én het jaarlijkse EPPA-zomeruitje, dit keer in het Louwman Museum. Zoals mijn collega’s zeiden, was ik met mijn neus in de boter gevallen. Een perfecte manier om iedereen snel te leren kennen.

Vanaf het begin werd ik hartelijk ontvangen, en ik heb me tijdens de werkdagen vermaakt met de politieke feitjes en mini-debatten aan de lunchtafel. Bij EPPA was ieder moment een leermoment: van de inhoudelijke opdrachten tot de gesprekken bij de borrel. Deze stage was voor mij niet alleen een professionele, maar ook een persoonlijke verrijking.

De persconferentie van de premier

Persconferentie premier
Persconferentie premier

Zoals het kloppen van een hart verloopt de politieke week in Den Haag volgens een vaste cyclus.  Zo begint de politieke week met het vragenuurtje, de stemmingen, en de Regeling van Werkzaamheden, en vloeit deze via allerlei debatten richting de ministerraad.

En na de ministerraad, wanneer ambtenaren weekend gaan vieren en Kamerleden onderweg zijn naar hun woonplaats in het land, wordt de hoogste minister, de minister-president, verwacht in een zaaltje van Perscentrum Nieuwspoort.

Nu óók ten tijde van een demissionair kabinet, Dick Schoof benoemde het vorige week vrijdag al:

“U weet dat ik hier sta op uitnodiging van de [Parlementaire, red.] Persvereniging. En gebruikelijk is dat de Persvereniging onmiddellijk de uitnodigingen intrekt zodra een premier demissionair is. Daar is nu van afgezien, daarom sta ik hier ook vandaag nog. Ik denk dat het iets te maken [heeft, red.] met het feit dat ik een ongebonden premier ben en dus geen belang heb om hier allerlei politieke, electorale zaken te bespreken met u. En die uitnodiging heb ik gaarne geaccepteerd.”

Journalisten van Volkskrant tot Hart van Nederland, en van het internationale Bloomberg tot de NOS, verzamelen zich met een lijstje aan vragen, en mogen dan alles vragen wat ze willen. Deze vorm van contact tussen pers en premier is uniek in de wereld.

Een blik over de grens

In Duitsland zijn het voornamelijk de woordvoerders van ministers die de vragen van journalisten beantwoorden, terwijl de bondskanselier slechts één keer per jaar een grote persconferentie geeft. En in de Verenigde Staten houdt de woordvoerder van het Witte Huis maandelijks een persconferentie, al spreekt de president zelf vaak informeel met de pers wanneer hij naar zijn helikopter loopt.

De parlementaire pers heeft dit intensieve contact te danken aan oud-premier Piet de Jong. In de jaren zestig was hij het op een dag beu dat hij, na de politieke werkweek, nog tijdens het eten gebeld werd door journalisten met allerhande vragen. Daarom besloot hij een vaste persconferentie na de ministerraad te houden, aanvankelijk ‘off the record’ maar later ook toegankelijk voor radio en televisie. Sindsdien is het een vast onderdeel geworden van de Haagse politieke week.

En zoals politiek journalist Joost Vullings ooit opmerkte: “Het is vrij uniek dat een premier dit zo doet. Dat je alles mag vragen.” Deze wekelijkse persconferentie biedt ook een kans voor belangenbehartigers om actuele ontwikkelingen te volgen en in te spelen op beleidsbeslissingen.

Het nut

Maar het nut van de persconferentie voor de belangenbehartiger zit vaak niet in de letterlijke beantwoording door de premier. Journalisten stellen regelmatig vragen over onenigheden in de ministerraad, hypothetische situaties of over knuppels in het hoenderhok. De premier geeft daar vaak geen volledig antwoord op. Maar soms kun je toch tussen de regels door lezen om een beter gevoel te krijgen over de situatie die voorligt.

Aankondigingen in het inleidende statement van een persconferentie bevatten wel regelmatig iets nieuws. Denk aan bezoeken uit of naar het buitenland, belangrijke wetsvoorstellen die door de ministerraad zijn goedgekeurd en naar de Tweede Kamer gaan, reacties op grote buitenlandse gebeurtenissen met impact op Nederland, of de instelling van nieuwe ministeriële commissies en andere beleidsbesluiten. Daarom is het volgen van deze persconferentie de moeite waard.

Deze persconferenties zijn live te volgen via YouTube, X en NPO Politiek en Nieuws.


Over Verantwoordingsdag 2025

Verantwoordingsdag
Verantwoordingsdag

Gister was het Verantwoordingsdag: een belangrijke dag in het politieke jaar. Maar wat is het eigenlijk? En was Verantwoordingsdag dit jaar anders dan anders? EPPA licht het toe.

Door Daniël Schut

Financiën is misschien wel het meest kenmerkende aan de Nederlandse politiek. Waar politieke discussies in sommige andere landen uitsluitend gaan over hoogdravende principekwesties, gaat het bij ons altijd ook over vragen als: hoe gaan we dat betalen? Hebben we daar het geld wel voor? En is dat geld dan wel goed terechtgekomen?

Woensdag gehaktdag

Die laatste vraag is zo belangrijk in onze politieke cultuur, dat we er een aparte dag voor hebben ingeruimd: Verantwoordingsdag. Dat is altijd de derde woensdag van mei. Het is de financiële tegenhanger van Prinsjesdag: in september blikken de regering en de Tweede Kamer vooruit. Met Verantwoordingsdag kijken ze terug op het afgelopen jaar.

Dat terugblikken doen ze met jaarverslagen. Eerst tekent de minister het Financieel Jaarverslag van het Rijk, en het Rijksjaarsverslag (de jaarverslagen van alle ministeries). Daarna worden deze jaarverslagen aan de Kamer aangeboden. Maar het verslag waar iedereen reikhalzend naar uitkijkt, is het verslag van de Algemene Rekenkamer. Deze Rekenkamer is officieel een ‘Hoog College van Staat’ dat rapporteert aan de Tweede Kamer. Vergelijk het een beetje met de accountant die namens de Tweede Kamer de verslagen van de regering controleert.

President Pieter Duisenberg van de Algemene Rekenkamer overhandigt zijn verslag aan de Tweede Kamer

De rapporten van de Algemene Rekenkamer leveren soms bruikbare politieke munitie op voor de Tweede Kamer. Vandaar dat Verantwoordingsdag ook wel eens ‘woensdag gehaktdag’ wordt genoemd.

Scherpe kritiek

Dit jaar is de kritiek van de Algemene Rekenkamer bijzonder scherp: de Rekenkamer wijst er onder andere op dat er zeker 867 mensen onterecht veroordeeld zijn vanwege een naamsverwisseling. Het Ministerie van Defensie krijgt op de vingers getikt omdat ze militaire locaties niet goed beveiligd hebben. En het Ministerie van Buitenlandse Zaken is overgestapt op een nieuw systeem voor financieel beheer – en kan daardoor niet meer goed traceren waar de uitgaven precies naartoe zijn gegaan.

In een eerste reactie zegt minister Heinen dat er ‘ook veel goed gaat’, en dat de Rekenkamer wel alle jaarverslagen goedkeurt. Inhoudelijk is dat natuurlijk niet de sterkste reactie, want de goedkeuring is vooral een formaliteit. Dat de Rekenkamer meldt dat de bedrijfsvoering veelal niet op orde is, is een serieus signaal, wat de regering zich zeker zal moeten aantrekken.

En wat nu?

Een belangrijke vraag bij elke Verantwoordingsdag is altijd: en wat nu? Want er gebeurt pas iets met de verslagen van de Rekenkamer, als de Tweede Kamer de conclusies gebruikt in debat met de regering. Op 4 juni is het plenaire Verantwoordingsdebat gepland – dat is dus het moment dat de fracties en de regering gezamenlijk met elkaar in gesprek gaan. In de aanloop daarnaartoe gaan de Kamerleden eerst via de commissies in gesprek met de relevante bewindspersonen.

Of, hoe en wat de Kamer precies oppakt kunnen we zien aan de feitelijke vragen die de Kamerleden de komende tijd gaan indienen. De deadline voor het inbrengen van de feitelijke vragen is al snel. Gezien de toch best stevige kritiek van de Rekenkamer verwachten wij van EPPA dat deze ‘woensdag gehaktdag’ flink wat inhoudelijke debatten gaat opleveren. We houden het in de gaten voor u.